Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4226Zaaknummer UTR 26/3429
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/3429
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Omgevingswet. Tijdelijke omgevingsvergunning wateractiviteit. Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. De omgevingsvergunning is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet evident onrechtmatig. De voorzieningenrechter weegt de wens van verzoekster om haar perceel zo nat als mogelijk te houden en zo het proces van inklinking zo traag mogelijk te laten verlopen minder zwaar dan de belangen van vergunninghouder en het HDSR bij de tijdelijke omgevingsvergunning waarmee wateroverlast op het perceel van vergunninghouder wordt voorkomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3429
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (het HDSR), verweerder
(gemachtigde: mr. N.I.S.A. Roelofs).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder], uit [plaats], vergunninghouder.
Inleiding
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning wateractiviteit die het HDSR op 2 april 2026 aan vergunninghouder heeft verleend. Met de omgevingsvergunning heeft het HDSR aan vergunninghouder toestemming verleend om het waterpeil in de watergangen op de locatie nabij [adres 1] in [plaats] tijdelijk – dat is tot uiterlijk 1 december 2026 – te verlagen tot niet verder dan 1,40 meter boven N.A.P.
Verzoekster woont aan dezelfde watergangen op het adres [adres 2]. Zij is het niet eens met de omgevingsvergunning en heeft hiertegen bij het HDSR bezwaar gemaakt. Omdat vergunninghouder het waterpeil ondertussen conform de aan hem verleende omgevingsvergunning heeft verlaagd, heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Het HDSR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster (zij werd vergezeld door haar partner [A]) en de gemachtigde van het HDSR (zij werd vergezeld door [B], [functie] bij het HDSR) en vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Rechtmatigheid van de omgevingsvergunning
3. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich – zeker als deze wordt gevoerd tijdens de bezwaarprocedure – niet voor een diepgaand onderzoek naar de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom alleen of er, zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht te doen, zeer ernstig moet worden betwijfeld of de omgevingsvergunning in stand zal blijven. Daarvan is geen sprake. De omgevingsvergunning is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet evident onrechtmatig. Daarbij weegt zij mee dat tussen partijen niet in geschil is dat bij een hogere waterstand dan met de omgevingsvergunning is toegestaan, het perceel van vergunninghouder (deels) onder water komt te staan. De omgevingsvergunning is dus verenigbaar met het belang van het voorkomen en waar nodig het beperken van overstromingen en wateroverlast.[_7ca6c0aa-8ba2-49c4-b216-e16d75715349] Het is aan het HDSR om bij de behandeling van de bezwaren van verzoekster verder onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of het recht en op basis daarvan een heroverweging te maken.
Wegen van de belangen door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen op grond van een belangenafweging. Wat de voorzieningenrechter daarbij doet, is beoordelen welke belangen partijen hebben bij het in stand laten van de omgevingsvergunning of bij een schorsing daarvan, en die belangen vervolgens tegen elkaar afwegen. Het gaat dan om de belangen die spelen, in afwachting van de latere inhoudelijke beoordeling door het HDSR.
5. Het HDSR heeft de omgevingsvergunning om de volgende redenen verleend:
het voorkomen van inundatie van het perceel van vergunninghouder;
het positieve effect op het kunnen maaien van slootkanten en het schonen van de watergang;
het tegengaan van diepwortelende beplanting;
het voorkomen van verstoring van broedende vogels.
6. Op de zitting heeft vergunninghouder mondeling toegelicht dat water op het perceel de nog levende hoogstamfruitbomen op het perceel zou aantasten. Verder is aan hem een last onder dwangsom opgelegd voor het schonen van de watergang. Het tegengaan van diepwortelende beplanting op het perceel en het voorkomen van het omvallen van de op het perceel aanwezige populieren die in slechte staat zijn, is beheer dat nodig is om de op het perceel aanwezige archeologische resten te beschermen. Voor al deze activiteiten is volgens vergunninghouder het lagere (vergunde) waterpeil nodig.
7. Tegenover deze belangen van het HDSR en vergunninghouder bij de omgevingsvergunning, staat het belang van verzoekster om schade aan haar perceel en de daarop staande (monumentale) gebouwen door inklinking van de grond te voorkomen. Volgens verzoekster is het lagere waterpeil één van de oorzaken van die inklinking.
8. Partijen verwijzen naar de Peilstudie ’t Goy van [deskundige] van 4 oktober 2021 en de bij dat rapport behorende bijlagen ‘Opnameverslag droogscheuren in gevels’ van de Monumentenwacht Utrecht van 29 maart 2021 en de geotechnische analyse van [deskundige]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de peilstudie en de daarbij behorende bijlagen niet dat de schade aan het perceel en de gebouwen van verzoekster wordt veroorzaakt door het nu tijdelijk een paar maanden verlagen van het waterpeil. Verzoekster heeft zelf op de zitting ook erkend dat inklinking van de grond – waardoor de schade aan haar perceel en de (monumentale) gebouwen daarop wordt veroorzaakt – meerdere oorzaken heeft en een voortdurend proces is. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoekster om haar perceel zo nat als mogelijk te houden om zo het proces van inklinking zo traag mogelijk te laten verlopen. Maar deze wens weegt voor de voorzieningenrechter minder zwaar dan de belangen van vergunninghouder en het HDSR bij de tijdelijke omgevingsvergunning waarmee wateroverlast op het perceel van vergunninghouder wordt voorkomen.
9. Verzoekster vreest dat deze omgevingsvergunning een opmaat is voor het herhaaldelijk aanvragen van een peilverlaging door vergunninghouder en het structureel vergunnen daarvan door het HDSR. Maar daarover kan de voorzieningenrechter in deze procedure geen oordeel geven. Deze procedure ziet alleen op het eventueel treffen van een voorlopige voorziening tegen deze omgevingsvergunning tot het HDSR op het bezwaar van verzoekster heeft beslist.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat vergunninghouder vooralsnog het waterpeil tot 1 december 2026 mag verlagen tot 1,40 meter boven NAP. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.