Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 17 februari 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:3949Zaaknummer UTR 25/579

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/579
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WIA. Weigering uitkering. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Beoordelingskader
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/579

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.B. ten Hulsen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Samenvatting

1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van het Uwv om aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens en voert aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is, althans meer beperkt is dan is aangenomen door het Uwv. Het Uwv blijft bij het bestreden besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij doet dat aan de hand van het toetsingskader en de beroepsgronden van eiseres.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Eiseres was voorheen werkzaam als [functie] voor gemiddeld 16,33 uur per week. Op 16 oktober 2021 heeft zij zich ziekgemeld voor dit werk vanwege al langer bestaande klachten en belemmeringen na een auto-ongeval waardoor het werk steeds moeizamer ging. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiseres op 24 juli 2023 een WIA-uitkering aangevraagd.

2.1.

Met het primaire besluit van 27 oktober 2023 heeft het Uwv geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen per 14 oktober 2023, omdat zij minder dan 35% (namelijk 27,74%) arbeidsongeschikt is geacht. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

2.2.

Met de beslissing op bezwaar van 9 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 28 juli 2025 aanvullende gronden tezamen met een verzekeringsgeneeskundig rapport ingediend. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en op 3 september 2025 een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 augustus 2025 ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 28 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordelingskader

3. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.

Beoordeling door de rechtbank

De inhoudelijke medische beoordeling

4.1.

Eiseres voert aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is, althans verdergaand beperkt is dan is aangenomen. Volgens eiseres zijn in ieder geval vanwege de geheugenstoornis aanvullende beperkingen aangewezen ten aanzien van herinneren (item 1.3), eenvoudige overzichtelijke en af te ronden taken (item 1.8.7) en voor wat betreft geluid en mensen (item 2.12.6). Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een rapport van verzekeringsarts – medisch adviseur [A.] en informatie over het Werkfittraject bij [bedrijf] ingediend.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 15 november 2024 uiteengezet dat de primaire verzekeringsarts met de aangenomen beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2023 voldoende rekening heeft gehouden met de verhoogde prikkelgevoeligheid, stresserende werkomstandigheden en fysieke beperkingen. Eiseres wordt namelijk beperkt geacht ten aanzien van stress en hectiek, deadlines en productiepieken, veelvuldige storingen en onderbrekingen, samenwerken, conflicthantering, werk met leidinggevende aspecten, werken in nacht- en wisseldiensten, fysiek zwaar werk en de energetische belastbaarheid. Er worden verder beperkingen aangenomen ten aanzien van trillingsbelasting, reiken, buigen, tillen, dragen, duwen/trekken, lang lopen en staan, veel trappenlopen en boven schouderhoogte werken. Ook wordt een urenbeperking aangenomen van 6 uur per dag en 18 uur per week, gelet op de intensieve behandeling en de recuperatietijd (hersteltijd). De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet aanleiding om een aanvullende beperking aan te nemen ten aanzien van de allergieën voor huisstofmijt en pollen en heeft dit verwerkt in de FML van 15 november 2024.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich ten aanzien van de door medisch adviseur [A.] aangewezen beperkingen in het rapport van 28 augustus 2025 op het standpunt gesteld dat deze niet aan de orde zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep licht toe dat er tekorten zijn in geheugen, maar dat er geen aanwijzingen zijn voor stoornissen in een geheel domein, zodat een beperking ten aanzien van herinneren niet is aangewezen. Daarbij wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat hij ten tijde van het primaire onderzoek, op 21 september 2023 en op 5 november 2024 tijdens de hoorzitting geen cognitieve stoornissen of woordvindingstoornissen heeft geconstateerd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt ten aanzien van de prikkelovergevoeligheid overwogen dat eiseres in staat is om auto te rijden, en dat de spanningsklachten en klachten van overprikkeling worden vertaald in lichamelijke klachten met als gevolg een verhoogde spierspanning en optreden van pijnklachten, die uiteindelijk aanleiding geven tot vermijdingsgedrag. Dit leidt niet tot beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Tot slot volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medisch adviseur [A.] niet in zijn standpunt dat een beperking ten aanzien van item 1.8.7 aangewezen is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat de reeds aangenomen specifieke voorwaarden in de rubriek persoonlijk functioneren (item 1.8.2 en 1.8.3) zijn aangewezen vanwege het niet dan wel beperkt in staat zijn om meerdere taken tegelijk te verrichten en het beperkt zijn in het reageren op onverwachte gebeurtenissen tijdens het werk.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk en navolgbaar gemotiveerd waarom eiseres niet gevolgd kan worden in de door de medisch adviseur [A.] aangewezen beperkingen ten aanzien van de items 1.3, 1.8.7 en 2.12.6. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens de Basisinformatie CBBS bij het beoordelingspunt herinneren in het dagelijks functioneren (item 1.3), naast dat sprake moet zijn van een ernstige stoornis zoals een uitgebreide neurocognitieve stoornis (dementie), [B.] of met ernstige schade in de hersenen, aangeboren of verworven, ook de continuïteit van het handelen gevaar moet lopen. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd, is dit bij eiseres niet het geval.

4.5.

Ook kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat geen aanleiding bestaat om specifieke voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid op te nemen (items 1.8.7 en 2.12.6), omdat met de aangenomen beperkingen eiseres reeds is aangewezen op makkelijke en af te ronden taken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de prikkelgevoeligheid – die zich vertaalt in fysieke klachten – ondervangen met de beperkingen in de overige rubrieken. Gelet hierop mocht het Uwv uitgaan van de juistheid van de medische rapporten en de daarbij behorende FML. De beroepsgrond slaagt niet.

De arbeidskundige beoordeling

5. Eiseres voert aan dat de geduide functies de belastbaarheid van eiseres overschrijden gelet op de nodige aanvullende beperkingen ten aanzien van herinneren (item 1.3) en geluid en mensen (item 2.12.6). Uit het aanvullend stuk van [bedrijf]. van 30 oktober 2025 blijkt volgens eiseres dat zij al dusdanig belast is dat geconcludeerd moet worden dat de geduide functies voor eiseres ook niet passend zijn, omdat deze meer belastend zijn dan het gevolgde traject.

5.1.

Aan de schatting liggen de functies ‘Productiemedewerker confectie, kleermaken’, ‘Medewerker postverzorging (intern)’ en ‘Productiemedewerker textiel, geen kleding’ ten grondslag. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling is de rechtbank van oordeel dat het Uwv de geduide functies aan de schatting ten grondslag heeft kunnen leggen. Daartoe neemt de rechtbank in overweging dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de eerder geduide functies nog steeds passend zijn voor eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het Uwv heeft terecht geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Zij krijgt daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt eiseres haar griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.