Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 18 mei 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:3695Zaaknummer UTR 25/7435

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/7435
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

CBR - Educatieve Maatregel Drugs - 8:75a verzoek. Toekenning proceskosten in beroep.

uitspraak te ondertekenen

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/7435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C. Lubben),

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. S. van der Ark).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het CBR in de proceskosten in beroep.

1.1.

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het CBR van 27 november 2025 (het bestreden besluit). De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn gemachtigde en de gemachtigde van het CBR. Tijdens de zitting heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht het CBR te veroordelen in de proceskosten in beroep.

1.2.

De rechtbank heeft het CBR met toepassing van artikel 8:75a, tweede lid, op zitting in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het CBR heeft zich niet verzet tegen een veroordeling in de proceskosten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[_72e3f76b-9039-432d-af91-4fc761329851]

Is het CBR aan verzoeker tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of het CBR geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.

4.1.

Op 16 december 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Het CBR heeft bij beslissing van 31 maart 2026 het bestreden besluit ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In het nieuwe besluit heeft het CBR het bezwaar gegrond bevonden. Het CBR heeft het besluit van 15 mei 2025 tot oplegging van een educatieve maatregel drugs aan verzoeker ingetrokken, en betaalt de door verzoeker al betaalde opleggingskosten en uitvoeringskosten terug. Daarnaast is het verzoek om vergoeding van bezwaarkosten toegewezen tot een bedrag van € 666,-. Hiermee is het CBR tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.

Welk bedrag aan proceskosten moet het CBR aan verzoeker vergoeden?

5. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het CBR moet deze vergoeding betalen. Voor de rechtsbijstand door een professionele gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De rechtbank stelt de vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde van 934,- per punt en een wegingsfactor 1).

Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?

6. De rechtbank wijst erop dat het CBR verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.[_ccda698f-b5fe-43e5-978a-b0498717b366]Verzoeker moet zich hiervoor tot het CBR wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het CBR tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.