Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 26 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3625Zaaknummer UTR 25/4754
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 26 januari 2026
- Publicatiedatum
- 13 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/4754
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BNT WIA PKV-uitspraak
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4754
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen
Stichting Eleos, Gereformeerde Geestelijke gezondheidszorg, uit Hoevelaken, verzoekster,
(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. Verzoekster heeft op 18 augustus 2025 beroep ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 22 december 2023 om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van haar (ex-)werknemer [A] op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Verzoekster heeft op 16 oktober 2025 het beroep niet tijdig ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft op 27 oktober 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). In geval van intrekking van het beroep kan dit als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor proceskostenvergoeding geen aanleiding bestaat omdat de beroepsprocedure niet heeft geleid tot een beslissing met rechtsgevolgen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe.
4. In een andere, nog lopende procedure heeft verweerder via een beslissing op bezwaar alsnog een IVA-uitkering toegekend aan de (ex-)werknemer. Om die reden heeft verzoekster het herbeoordelingsverzoek en het beroep niet tijdig ingetrokken. Met de toekenning van de IVA-uitkering in de beslissing op bezwaar is materieel gezien ook (gedeeltelijk) tegemoetgekomen aan het herbeoordelingsverzoek van 22 december 2023. Aangezien het beroep niet tijdig verder terecht was ingesteld, ziet de rechtbank reden om verweerder te veroordelen in de proceskostenvergoeding voor dit beroep.
5. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.