Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 6 maart 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:3273Zaaknummer UTR 25/2114

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/2114
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk geen procesbelang

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €53,- aan hem moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Dienst Toeslagen, verweerder.
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2114

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] (Polen), eiser,

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 3 februari 2025 tegen de beslissing op bezwaar van verweerder.

Bij besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder de definitief berekende zorgtoeslag over 2022 aangepast en op nihil gesteld. Ook heeft verweerder € 924,- aan voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 14 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 3 februari 2025 een brief gestuurd aan verweerder dat hij bezwaar maakt tegen het besluit van 14 augustus 2024. Verweerder heeft deze brief met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgestuurd naar de rechtbank ter behandeling als beroep.

Bij de brief van 16 september 2025 heeft verweerder het besluit van 14 augustus 2024 herzien en het bezwaar alsnog gegrond verklaard.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Bij besluit van 14 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bij besluit van 16 september 2025 heeft verweerder de beslissing op bezwaar herzien en het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep van rechtswege ook gericht tegen het besluit van 16 september 2025.

Beroep tegen het besluit van 14 augustus 2024

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 16 september 2025 volledig aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn beroep tegen het besluit van 14 augustus 2024. De rechtbank zal dit beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang.

Beroep tegen het besluit van 16 september 2025

4. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep van rechtswege ook gericht tegen het besluit van 16 september 2025.

5. De rechtbank heeft eiser bij brief van 9 september 2025 verzocht of eiser uiterlijk binnen twee weken na datum van verzending van de brief aan de rechtbank wil laten weten of hij het beroep nog wil handhaven. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Op 30 september 2025 heeft de rechtbank eiser nogmaals een brief verzonden met het verzoek of eiser binnen vier weken na de datum van verzending van de brief aan de rechtbank wil laten weten of hij het beroep nog wil handhaven. Eiser heeft niet gereageerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser het eens is met het besluit van 16 september 2025. Dat betekent dat eiser ook geen procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het besluit van 16 september 2025. De rechtbank verklaart daarom ook dat beroep niet-ontvankelijk

Proceskosten

6. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

7. Omdat verweerder tijdens deze beroepsprocedure het besluit heeft herzien, ziet de rechtbank met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €53,- aan hem moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.