Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 26 februari 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:3271Zaaknummer UTR 24/6530

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/6530
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bnt besluit genomen niet-ontvankelijk

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van

J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , [plaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/6530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

(gemachtigde: T.I. Gerritsen).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 29 augustus 2024 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 13 oktober 2023.

Bij brief van 21 oktober 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Bij besluit van 21 oktober 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag van 13 oktober 2023 van eiser.

3. De rechtbank heeft eiser bij brief van 30 april 2025 verzocht of hij uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van de brief aan de rechtbank wil laten weten of hij het ofwel eens is met het besluit van 21 oktober 2024 en het beroep intrekt, ofwel dat hij uitlegt waarom hij het niet eens is het met het besluit. Eiser heeft hierop niet gereageerd.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder volledig aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen. Er is namelijk een besluit op eisers aanvraag genomen, dat door eiser niet wordt betwist. Aangezien niet is gebleken van enig belang bij gegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen of vernietiging van het besluit van 21 oktober 2024, zal het beroep wegens het ontbreken van proces belang niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

6. Omdat ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog geen besluit was genomen door verweerder, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.

7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder ook verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van

J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.