Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:3039Zaaknummer UTR 24/5773

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/5773
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzoek om griffierecht, buiten zitting, artikel 8:41, achtste lid, rechtbank is onbevoegd

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing
  5. Informatie over verzet

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/5773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. J.J. Broeze).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek tot vergoeding van het betaalde griffierecht dat verzoeker heeft ingediend bij de intrekking van zijn beroep.

1.1.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek, omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is.[_56f5eb3f-597a-4203-8ac1-7fca031cf9ec]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Op 26 augustus 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 25 juli 2024 over een door hem ingediend handhavingsverzoek. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 9 september 2025[_a27fe1b0-253f-452c-aaba-5e55c87328b6]geoordeeld dat dit besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het college is daarbij in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Het college heeft op 1 oktober 2025 een nieuw besluit genomen. Verzoeker is vervolgens in de gelegenheid gesteld om op die herstelpoging te reageren, maar heeft zijn beroep ingetrokken. Dat heeft hij gedaan naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 2025 over een van zijn eerdere handhavingsverzoeken.[_db63e381-0440-456b-a1d3-cb6157c20758]

4. In artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat als het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan het betaalde griffierecht aan de indiener moet vergoeden. In het achtste lid is bepaald dat in andere gevallen het bestuursorgaan het griffierecht geheel of gedeeltelijk kan vergoeden als het beroep wordt ingetrokken.

5. In dit geval is er geen sprake van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker. Het college heeft in het besluit van 1 oktober 2025 het handhavingsverzoek namelijk opnieuw afgewezen. Dat betekent dat niet het zevende lid, maar het achtste lid van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Het is daarom aan het college is om te beslissen of het betaalde griffierecht (€ 187,-) wel of niet aan verzoeker wordt vergoed. Dat betekent dat de rechtbank niet bevoegd is. Dat het college heeft meegedeeld zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank maakt dat niet anders, want het college moet deze beslissing zelf nemen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.