Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 14 april 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:2382Zaaknummer C/16/609039 / FZ RK 26-272

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/16/609039 / FZ RK 26-272
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Lelystad
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing rechterlijke machtiging. Betrokkene lijkt voldoende in staat de gevolgen van haar keuzes te overzien en kan daardoor zelf de beslissing nemen waar zij wil wonen.

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. J.M. Atema, rechter, in aanwezigheid van de griffier en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 Het verzoek
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Lelystad

Zaaknummer: C/16/609039 / FZ RK 26-272

Datum uitspraak: 14 april 2026

Beschikking rechterlijke machtiging

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1942 in [geboorteplaats] (Duitsland),

hierna te noemen: betrokkene,

wonend in [plaats],

verblijvend bij [verblijfplaats], locatie [locatie] in [plaats],

advocaat: mr. M.A. Krikke.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 maart 2026, mee in de beoordeling.

1.2.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • [A], zorgverantwoordelijke;
  • [B], specialist ouderengeneeskunde;
  • [C], contactpersoon, tevens huisvriend van betrokkene.
1.3.

De mentor is opgeroepen voor de zitting, maar niet verschenen.

2 Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Hierna wordt uitgelegd waarom deze beslissing wordt genomen.

Namens en door betrokkene is verzocht om primair het verzoek af te wijzen en subsidiair de duur van de machtiging te beperken. Betrokkene is nog dusdanige helder dat zij in staat lijkt om (in enige mate) het risico te overzien in het geval zij niet de zorg krijgt in de instelling. De onafhankelijk psychater, die tijdens de zitting aanwezig was, heeft ook verteld te twijfelen of betrokkene niet vrijgelaten moet worden bij het maken van deze keuze. Daarnaast heeft de zorgverantwoordelijke gesteld dat de locatie waar betrokkene op dit moment verblijft niet passend is bij het ziektebeeld van betrokkene.

De rechtbank is van mening dat betrokkene goed onderbouwd kan verklaren waarom zij niet in de instelling wil verblijven en mede daardoor op dit moment voldoende in staat lijkt te overzien wat de gevolgen van haar keuze zijn. In zo’n geval is het in principe aan betrokkene zelf om te kiezen waar zij wil wonen. Daar komt bij dat een verplichte opname met een rechtelijke machtiging een ultimum remedium is: dit wordt alleen ingezet als minder ingrijpende vormen van zorg niet mogelijk zijn. Daarvan is de rechtbank op dit moment niet overtuigd; betrokkene zou het thuis nog kunnen proberen. Wanneer betrokkene ervoor kiest om thuis te wonen, is het wel noodzakelijk dat een zorgkader beschikbaar is ter ondersteuning van de dagelijkse zorg. Hiervoor zal in overleg met een de arts besproken moeten worden wat mogelijkheden zijn. Het is belangrijk dat betrokkene hierin goed meewerkt en zich realiseert: ook thuis heeft zij zorg nodig.

Ter zitting is besproken dat de huisvriend niet meer alle verantwoordelijkheid voor de ondersteuning op zich kan nemen nu hij door persoonlijke omstandigheden (onder meer mantelzorg voor zijn eigen vader) hier geen draagkracht meer voor heeft. De rechtbank heeft zowel betrokkene als de huisvriend meegegeven dat het afwijzen van het verzoek dus niet betekent dat daarmee de verantwoordelijkheid voor betrokkene bij de huisvriend zou worden neergelegd – dat is niet het geval.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. J.M. Atema, rechter, in aanwezigheid van de griffier en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.