Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Midden-Nederland, 24 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1508Zaaknummer C/16/608548/ JE RK 26-382
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 24 maart 2026
- Publicatiedatum
- 11 mei 2026
- Zaaknummer
- C/16/608548/ JE RK 26-382
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Machtiging uithuisplaatsing. Moeder blijkt slachtoffer van seksueel geweld door vader. Positieve verplichting om benodigde hulp aan moeder te bieden (EHRM van Slooten) om toe te werken naar terugplaatsing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 augustus 2026;
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek voor het overige af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.D.J. Esders als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/608548 / JE RK 26-382
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. H.E. Brokers-van Dijk,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 16 maart 2026;
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
- het bericht van de vader met bijlagen, ontvangen op 19 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] namens de GI.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft sinds 16 maart 2026 in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 augustus 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 maart 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 30 maart 2026.
3 Het verzoek
De kinderrechter heeft in de beschikking van 16 maart 2026 beslist over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin tot 30 maart 2026, en de beslissing voor het overige aangehouden. De kinderrechter moet partijen over deze beslissing nog horen.
Daarnaast moet de kinderrechter nog een beslissing nemen over het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vijf maanden, dus tot 16 september 2026.
4 De standpunten
De moeder is het niet eens met de verzoeken. Door en namens de moeder is verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair is verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur dat het mogelijk is dat [minderjarige] kan blijven in het huidige pleeggezin en de rest van het verzoek af te wijzen. De moeder is de enige die de zorg over [minderjarige] heeft gedragen. De moeder is van plek naar plek gegaan met [minderjarige] en nu blijkt dat [minderjarige] ook niet langer bij het huidige pleeggezin kan verblijven. Het is niet in het belang van [minderjarige] om weer te moeten verplaatsen. De moeder wil samen met [minderjarige] naar een moeder-kindhuis.
De vader is het eens met de verzoeken. De vader zag deze situatie wel aankomen. Hij vindt het zorgelijk dat hij [minderjarige] van plek naar plek ziet gaan. De vader wil dat er voor [minderjarige] gekeken wordt naar de meest stabiele plek om op te groeien. De vader wil graag die plek zijn en is bereid om [minderjarige] een thuis te bieden.
5 De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en ziet naar aanleiding daarvan geen reden om een andere beslissing te nemen. Verder zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 21 augustus 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.[_98b17aba-6d7b-45d5-80bc-324ec4985f50] De kinderrechter maakt zich grote zorgen over de situatie. De kinderrechter constateert dat er grote zorgen zijn over het gedrag van de moeder van de afgelopen jaren. Dat gedrag maakt steeds dat de moeder en [minderjarige] niet kunnen blijven op plekken waar zij verblijven. De GI vindt het dan ook van belang dat de moeder hulp aanvaardt voor haar emotieregulatie. De GI onderzoekt de mogelijkheid om een woning voor de moeder te vinden, en die woning lijkt er te zijn. Het doel is dan om [minderjarige] bij de moeder terug te plaatsen, wanneer zij haar emoties voldoende kan reguleren. In dat geval belast zij [minderjarige] niet met haar onvoorspelbare gedrag, en is de kans aanzienlijk dat de moeder de woning kan behouden. Als dat niet lukt is het de vraag of [minderjarige] weer bij de moeder kan wonen. Het steeds weer verkassen en het gedrag van de moeder hebben immers hun tol geëist van [minderjarige], die tekenen van spanning laat zien, bijvoorbeeld door op haar lippen en wangen te bijten waardoor zij veel wondjes heeft.
Tijdens de zitting is, tot ieders schrik, naar voren gekomen dat de moeder slachtoffer is van ernstig seksueel geweld door de vader. De vader heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij de moeder meerdere malen heeft verkracht in haar slaap en dat hij tegen haar zin in naaktfoto’s van haar heeft gemaakt en verspreid toen zij hoogzwanger was. Dat plaatst het moeilijke gedrag van de moeder in een heel ander perspectief. De moeder heeft verteld dat zij eerder aangifte heeft willen doen maar dat de politie haar verhaal toen heeft afgedaan als relatieproblemen. Bij de GI heeft zij aangegeven dat zij traumatherapie wil maar daar is geen gevolg aan gegeven. De kinderrechter acht hulp aan de moeder zeer urgent. Op de GI rust ook de verplichting om die hulp spoedig in te zetten, om op die manier de inmenging in het familieleven die met de machtiging tot uithuisplaatsing wordt gemaakt zo kort mogelijk te maken, oftewel, om ervoor te zorgen dat de moeder en [minderjarige] zo snel als mogelijk weer herenigd worden (EHRM 15 april 2025, van Slooten tegen Nederland, zaaknummer 45644/18).
De kinderrechter vindt het heel zorgelijk dat de vader weliswaar volmondig erkent dat hij seksueel geweld heeft gepleegd naar de moeder toe, maar dat hij niet lijkt in te zien dat dit geweld zijn sporen heeft nagelaten bij de moeder en daarmee ook bij [minderjarige]. Tijdens de zitting zei hij dat hij spijt heeft betuigd maar dat hij het niet meer kan terugdraaien. Hij heeft hulp gezocht en is nu stabiel. De vader vindt vooral dat de moeder niet goed voor [minderjarige] zorgt. Dat het gedrag van de moeder ook (deels) kan voortkomen uit wat zij met de vader heeft meegemaakt, lijkt niet echt tot hem door te dringen. Exemplarisch is dat de vader het vervelend vindt dat de moeder niet wil dat de vader met [minderjarige] alleen is. Eerder was zij angstig als de vader [minderjarige] verschoonde, terwijl daar volgens hem geen enkele reden toe was. De vader laat daarmee weinig inlevingsvermogen in de moeder zien, en weinig besef van hoe zij beschadigd is geraakt door hem. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI ook daar aandacht voor heeft en bij de vader hulp inzet die daarbij nodig is.
Hoewel de omgang tussen [minderjarige] en de vader hier niet voorligt merkt de kinderrechter wel op dat de moeder tijdens de zitting waar de omgang met de vader en het gezamenlijk gezag zijn besproken niet aanwezig was. Er zijn bij die zitting dan ook geen zorgen over de vader naar voren gebracht. De rechtbank heeft de vader vervolgens samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige] en heeft een opbouw naar een onbegeleide weekendregeling (eens in de twee weken) vastgesteld. De kinderrechter vindt het van belang dat de GI nu goed gaat kijken wat de informatie die nu naar boven is gekomen betekent voor het belang van [minderjarige] als het gaat om contact met haar vader.
De kinderrechter vindt een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk omdat de moeder rust en tijd moet krijgen om therapie aan te gaan. De kinderrechter hoopt dan ook echt dat de moeder gaat werken aan haar trauma’s, om uiteindelijk een stabiele moeder voor [minderjarige] te kunnen zijn. Tot die tijd is het voor [minderjarige] van belang dat zij in een neutraal pleeggezin zit.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, omdat er veel moet gebeuren en hier tijd voor nodig is. De kinderrechter kan de machtiging niet langer laten lopen dan de duur van de ondertoezichtstelling, daarom zal de kinderrechter het verzoek voor het overige afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 augustus 2026;
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek voor het overige af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.D.J. Esders als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.