Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 21 april 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:1438Zaaknummer C/16/604754 / FO RK 25-1635

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
C/16/604754 / FO RK 25-1635
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor voorschool en inschrijving basisschool. Afwijzing van de verzoeken tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling omdat de omstandigheden niet zijn gewijzigd.

De rechtbank:

4.1.

verleent aan de moeder vervangende toestemming voor de aanmelding van [minderjarige] bij de voorschool in [plaats 1] voor (maximaal) 16 uur per week, met ingang van 15 januari 2026, en voorts bij logopediepraktijk Logopedie [plaats 4];

4.2.

verleent aan de moeder vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] bij [school 1] in [plaats 1];

4.3.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst de verzoeken voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G.L.M. Urbanus, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L.N. van Oostveen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Waar de procedure over gaat
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht, locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/604754 / FO RK 25-1635

Gezag en omgang

Beschikking van 21 april 2026

in de zaak van:

[de moeder],

wonende in [plaats 1],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K.G.I.M. Schröder,

tegen

[de vader],

wonende in [plaats 2], gemeente Woensdrecht,

hierna te noemen: de vader,

de advocaat mr. S.S. Zijderveld heeft zich aan de zaak onttrokken.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft voor de mondelinge behandeling (zitting) de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 29 december 2025;
  • het verweerschrift van de vader met zelfstandige verzoeken (met bijlagen) van 2 februari 2026.
1.2.

De verzoeken zijn besproken tijdens de zitting van 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • [persoon 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen afgesproken dat de vader aan de advocaat van de moeder zijn schriftelijke instemming zou geven voor inschrijving van [minderjarige] bij de voorschool in [plaats 1] en bij een logopediepraktijk in [plaats 1]. De advocaat van de moeder zou het bericht van de vader vervolgens binnen een week na de zitting indienen bij de rechtbank. In afwachting van dat bericht heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken aangehouden. De rechtbank heeft vervolgens op 18 februari 2026 een bericht, met één bijlage, ontvangen van de zijde van de moeder.

1.4.

De vader heeft op 20 februari 2026 een bericht (met bijlagen) ingediend bij de rechtbank. De rechtbank houdt geen rekening met dit bericht, omdat dit had moeten worden ingediend door de advocaat van de vader en niet door de vader zelf.

1.5.

De rechtbank heeft [minderjarige], de tweejarige zoon van de ouders, gezien zijn leeftijd, niet gevraagd wat hij van de verzoeken vindt.

2 Waar de procedure over gaat

2.1.

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij hebben samen één kind: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023. De moeder noemt hem [minderjarige] en de vader noemt hem [minderjarige]. De rechtbank noemt het kind in deze beschikking [minderjarige].

2.3.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige]. Dat betekent dat zij de belangrijke beslissingen over hem samen moeten nemen.

2.4.

De ouders hebben tot mei 2024 een relatie met elkaar gehad. Zij woonden samen met [minderjarige] in [plaats 3]. Na de verbreking van de relatie is de moeder in december 2024 in [plaats 1] gaan wonen. De vader is daarna in februari 2025 verhuisd naar [plaats 2].

2.5.

De rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 15 april 2025 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vastgesteld. Verder heeft de rechtbank bij die beschikking een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige] bij de vader is:

  • in week A van woensdag 9.00 uur tot en met vrijdag 18.30 uur;
  • in week B van vrijdag 9.00 uur tot en met zondag 18.00 uur;
  • iedere eerste maandag van de maand;

waarbij het wisselmoment bij station Rotterdam Lombardijen zal zijn. Verder heeft de rechtbank een vakantie- en feestdagenregeling aan de beschikking gehecht.

2.6.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 16 december 2025 de onder 2.5 weergegeven beslissingen van de rechtbank Gelderland bekrachtigd.

2.7.

De moeder heeft op 11 augustus 2025 met [minderjarige] het consultatiebureau in [plaats 1] bezocht. Het consultatiebureau heeft geconstateerd dat er bij [minderjarige] sprake is van een achterstand in de spraaktaalontwikkeling. In een aantekening van de medewerker van het consultatiebureau wordt als conclusie vermeld:

“ [minderjarige] samen met moeder op consultatiebureau.

Gewicht is stabiel toegenomen; achterstand spraaktaalontwikkeling.

Advies starten voorschool. VE indicatie afgegeven.

Over ongeveer 6 maanden evalueren spraaktaal ontwikkeling.

PM logopedie

Indien moeder eerder geen vooruitgang ziet in spraaktaalontwikkeling, advies om contact op te nemen voor verwijzing logopedie.”

2.8.

In antwoord op een vraag van de moeder heeft de arts Jeugdgezondheidszorg 0-4 jaar haar op 14 augustus 2025 het volgende gemaild:

“(…) In [plaats 1] heeft ieder kind recht op 8 uur voorschoolse opvang per week. Wanneer een kind extra ondersteuning nodig heeft in zijn of haar ontwikkeling, met name op het gebied van spraak en taal, kan een VVE-indicatie worden afgegeven. Met deze indicatie kan een kind tot 16 uur per week gebruikmaken van de voorschool.

In het geval van [minderjarige] heb ik geconstateerd dat hij momenteel een achterstand heeft in zijn spraak-taalontwikkeling, aangezien hij nog niet in staat is om twee-woordzinnen te formuleren. Op basis hiervan komt hij in aanmerking voor een VVE-indicatie, wat betekent dat hij recht heeft op uitbreiding naar 16 uur voorschool per week.

Als het om praktische redenen niet mogelijk is om direct 16 uur af te nemen, kan in overleg met de voorschool gekozen worden voor een lager aantal uren (bijvoorbeeld 10 uur). Na verloop van tijd kan dan worden geëvalueerd of dit voldoende ondersteuning biedt.

Een andere optie is om [naam] (bedoeld zal zijn [minderjarige], opmerking rechtbank) bijv. 8 uur per week naar de voorschool te laten gaan en daarnaast logopedie op te starten om zijn spraak-taalontwikkeling gericht te stimuleren. . (…)”

2.9.

De vader heeft [minderjarige] in de loop van november 2025 ingeschreven bij een kinderopvang in [plaats 2] die voorschoolse educatie aanbiedt. Sinds januari 2026 gaat [minderjarige] in de even weken op donderdagochtend en vrijdagochtend naar deze kinderopvang.

2.10.

De ouders zijn het niet eens over een aantal gezagsbeslissingen over [minderjarige].

De moeder wil:

  • dat de toestemming van de vader wordt vervangen door die van de rechtbank voor de aanmelding van [minderjarige] bij de voorschool in [plaats 1] voor (maximaal) 16 uur per week, met ingang van 15 januari 2026, en bij logopediepraktijk Logopedie [plaats 4];
  • dat de toestemming van de vader wordt vervangen door die van de rechtbank voor de aanmelding en inschrijving van [minderjarige] bij [school 1] in [plaats 1].

De vader wil dat de verzoeken van de moeder worden afgewezen en verzoekt de rechtbank:

  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;
  • een (co-ouderschap) zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige]

• van maandag 10:30 uur tot woensdag 10:30 uur bij de moeder is;

• van woensdag 10:30 uur tot vrijdag 19:30 uur bij de vader is;

• in het weekend (van vrijdag 19:30 uur tot maandag 10:30 uur) in even weken bij de moeder is en in oneven weken bij de vader is;

• het wisselmoment thuis plaatsvindt waarbij zoon door de ouder waar hij verbleef naar de andere ouder wordt gebracht;

- aan de vader (en voor zover nodig de moeder) vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving bij de kinderopvang, voorschoolse educatie en logopedie in de betreffende woonplaats.

3 De beoordeling

De conclusie

3.1.

De rechtbank zal aan de aan de moeder vervangende toestemming verlenen voor de aanmelding van [minderjarige] bij de voorschool in [plaats 1] voor (maximaal) 16 uur per week, met ingang van 15 januari 2026, en voorts bij logopediepraktijk Logopedie [plaats 4]. Daarnaast verleent de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] bij [school 1] in [plaats 1]. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De overige verzoeken zal de rechtbank afwijzen. Hierna legt de rechtbank hier beslissing per onderwerp uit.

Verschillende opvattingen over urgentie voorschool en logopedie

3.2.

Op de zitting is duidelijk geworden dat de ouders de informatie van het consultatiebureau op een verschillende wijze hebben geïnterpreteerd.

3.3.

De moeder heeft uitgelegd dat kinderen in [plaats 1] pas bij een leeftijd van tweeëneenhalf jaar kunnen starten met voorschoolse educatie. De moeder had gelet daarop geregeld dat [minderjarige] op 15 januari 2026 kon starten met de voorschool [school 2] in [plaats 4] en met logopedie, aangezien hij op 29 december 2025 tweeëneenhalf jaar oud werd. Omdat de vader daarvoor niet de vereiste toestemming gaf, is zij deze procedure gestart.

3.4.

De vader heeft een andere kijk op de situatie. Uit het verweerschrift van de vader en wat hij op de zitting heeft verteld, maakt de kinderrechter op dat de vader de informatie zo heeft begrepen dat de voorschool en logopedie zo spoedig mogelijk na het gesprek bij het consultatiebureau moesten starten. De vader heeft op grond van deze conclusie [minderjarige] in november 2025 in [plaats 2] aangemeld voor de voorschool en logopedie, dit zonder toestemming van de moeder.

3.5.

Tijdens de zitting heeft de Raad bevestigd dat kinderen in de gemeente [gemeente] pas vanaf de leeftijd van tweeëneenhalf jaar naar een voorschool kunnen. De Raad gaat er vanuit dat als de situatie urgent was geweest, zoals de vader denkt, het consultatiebureau een ander advies had gegeven. De rechtbank leidt hieruit af dat de vader ten onrechte een noodzaak heeft gevoeld voor het met spoed organiseren van hulp voor [minderjarige]. De oprechte zorgen en paniek die de vader voelt ten aanzien van de zorg voor [minderjarige], zijn wat betreft dit punt dus niet gebaseerd op de werkelijkheid. Hoe dan ook had de vader [minderjarige] niet op eigen houtje mogen inschrijven bij de voorschool in zijn omgeving. Dit is een gezagsbeslissing en daarvoor had hij dus de toestemming van de moeder nodig. De vader benadrukt wel steeds dat hij informatie van de moeder wil en goed wil samenwerken, maar hij heeft daar niet naar gehandeld.

Vervangende toestemming voor voorschoolse educatie en logopedie in [plaats 1]

3.6.

[minderjarige] is inmiddels tweeëneenhalf jaar oud. Hij kan nu dus in [plaats 1] naar de voorschool. Tijdens de zitting is besproken dat de vader bereid is om in te stemmen met inschrijving van [minderjarige] voor de voorschool en logopedie in [plaats 1]. Aangezien is gebleken dat de ouders vaak langs elkaar heen communiceren en het voor de moeder belangrijk is om de toestemming van de vader zwart-op-wit te hebben, is op de zitting afgesproken dat de advocaat van de moeder de vader een e-mail zou sturen met het verzoek te bevestigen dat hij instemt met de aanmelding van [minderjarige] bij de voorschool in [plaats 1] voor (maximaal) zestien uur per week, met ingang van 15 januari 2026, en bij logopediepraktijk Logopedie [plaats 4]. Als de vader deze bevestiging zou geven, zou de moeder haar verzoeken hierover intrekken.

3.7.

Uit het bericht van de moeder van 18 februari 2026 met als bijlage de correspondentie tussen de advocaat van de moeder en de vader, blijkt dat de advocaat de hiervoor bedoelde e-mail wel aan de vader heeft gestuurd, maar de vader de gevraagde bevestiging niet heeft gegeven. De vader heeft geen korte reactie gegeven, zoals tijdens de zitting was besproken, maar heeft (wederom) vragen gesteld over kinderopvangtoeslag, afgifte van reisdocumenten en zijn wens om de samenwerking tussen de ouders te verbeteren, bijvoorbeeld met een traject als Ouderschap Blijft.

3.8.

Dit maakt dat de moeder haar verzoek niet intrekt en belang heeft bij een beslissing van de rechtbank. De rechtbank geeft de moeder vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op de voorschool en bij de logopediepraktijk in [plaats 1]. [minderjarige] heeft immers, gelet op het bericht van de jeugdarts, de voorschoolse educatie, eventueel gecombineerd met logopedie, nodig. De ouders zijn het daar ook over eens. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder, en behoudt die ook, zoals hierna zal blijken. Gelet daarop is het in zijn belang om de betreffende hulp te krijgen in de woonplaats van de moeder.

3.9.

Aangezien [minderjarige] met deze vervangende toestemming de hulp zal krijgen die hij nodig heeft, heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoeken tot vervangende toestemming voor het inzetten van deze hulp. Voor zover de vader wil dat [minderjarige] deze hulp in zowel [plaats 1] als [plaats 2] krijgt, vindt de rechtbank dat niet in het belang van [minderjarige]. Het is voor de monitoring van zijn spraak-taalontwikkeling belangrijk dat de educatie op één plek plaatsvindt, in dit geval dus in [plaats 1]. De rechtbank zal deze verzoeken van de vader dan ook afwijzen.

De hoofdverblijfplaats en de zorgregeling

3.10.

De vader heeft verder gevraagd om de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. De vader legt daaraan ten grondslag dat hij, anders dan de moeder, handelt op advies van professionals, dat hij noodzakelijke zorg organiseert en faciliteert, de moeder actief informeert, zich coöperatief opstelt richting hulpverlening en de belangen van [minderjarige] consequent vooropstelt. Volgens de vader is er sprake van een risico dat [minderjarige] onder de huidige omstandigheden zorg misloopt doordat de moeder onvoldoende actie onderneemt. Verder hebben de ouders volgens de vader geen goede verstandhouding met elkaar.

3.11.

De moeder heeft de argumenten van de vader, behalve het feit dat er sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders, weersproken. Zij heeft, zoals hierboven beschreven, gesteld dat zij wél de zorg voor [minderjarige] organiseert, maar dat zij een andere opvatting had over de urgentie van de voorschoolse educatie. De moeder benadrukt dat het gerechtshof nog kortgeleden de beslissing van de rechtbank dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder, heeft bekrachtigd. Zo ook de beslissing over de zorgregeling.

3.12.

De rechtbank is het met de moeder eens. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 16 december 2025 de beslissing van de rechtbank Gelderland van 15 april 2025 over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bekrachtigd. Deze beslissing is dus kortgeleden genomen. Sindsdien zijn de omstandigheden niet veranderd. De discussie tussen de ouders over de voorschool speelde al in oktober 2025, en nog vóór de zitting op 11 november 2025 van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden. Bovendien vindt de rechtbank dat de onenigheid over de hulp op het gebied van taal en spraak geen gewijzigde omstandigheid vormt die een wijziging van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling rechtvaardigt. De rechtbank vindt niet dat de moeder niet in staat is de juiste hulp voor [minderjarige] in te zetten, en is het wat dat betreft niet eens met de vader. Zij heeft immers op juiste wijze gehandeld na haar bezoek aan het consultatiebureau. Nu er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, zal de rechtbank de beslissing van het gerechtshof over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] niet wijzigen en de verzoeken van de vader over die onderwerpen afwijzen. De vader zal zich, in het belang van [minderjarige], bij de situatie moeten neerleggen. Telkens een nieuwe procedure voeren over hetzelfde onderwerp is niet goed, want dat zorgt voor spanningen bij de ouders en daarmee voor onrust bij [minderjarige].

De basisschool

3.13.

Het laatste verzoek dat voorligt is het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] bij [school 1] in [plaats 1]. De advocaat van de moeder heeft in haar brief van 14 november 2025 aan de advocaat van de vader gevraagd of de vader kan instemmen met inschrijving van [minderjarige] op deze school (productie 4 van de moeder). De vader wil in onderling overleg de keuze voor de basisschool maken. Hij kent de [school 1] in [plaats 1] niet en wil zich nog oriënteren op een geschikte school. In zijn verweerschrift vraagt hij het verzoek van de moeder hierover af te wijzen

3.14.

De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe, omdat de vader genoeg tijd heeft gehad om zich voorafgaand aan de zitting te oriënteren op een geschikte basisschool in de buurt van de moeder, en geen concreet bezwaar tegen de door de moeder gekozen school heeft genoemd, of een andere school heeft voorgesteld. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat de ouders in onderling overleg kunnen komen tot een gezamenlijk gedragen schoolkeuze. De rechtbank heeft namelijk gemerkt dat het moeilijk is om met de vader een inhoudelijk gesprek te voeren over een onderwerp. Tijdens de zitting bleek dat de vader eigenlijk alleen kon praten over zaken die hij van belang vond. Hij was niet in staat de mening van een ander aan te horen en mee te wegen bij zijn beantwoording van vragen. Dat zou wel nodig zijn als hij met de moeder moet overleggen over een school voor [persoon 2]. Daarnaast blijkt uit de wijze waarop de vader heeft gereageerd op het verzoek van de advocaat van de moeder om te bevestigen dat hij instemde met aanmelding bij de voorschool en de logopediepraktijk in [plaats 1] (zie hiervoor onder 3.6 en 3.7) dat het moeilijk voor hem is om verschillende zaken gescheiden te houden. Ondanks de hierover op voorhand gemaakte duidelijke afspraak, kon hij niet met een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden, waardoor er nu toch een beslissing van de rechtbank nodig is. De rechtbank wil voorkomen dat iets dergelijks gebeurt met de schoolkeuze, waardoor die dan wordt vertraagd, omdat dat in strijd zou zijn met het belang van [minderjarige] om vanaf zijn vierde verjaardag naar school te kunnen gaan. Daarom verleent de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven bij de door haar genoemde basisschool. Daarmee komen bovendien de juridische procedures tot een einde, wat vaak een voorwaarde is voor ouders om zich aan te kunnen melden bij een traject als ouderschapsbemiddeling. De rechtbank vindt, net als de Raad en de ouders, een dergelijk traject nodig.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.15.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De rechtbank beslist dit omdat zij het voor [minderjarige] ontwikkeling van groot belang vindt dat hij op korte termijn kan starten met de taal/spraakhulp. Daarnaast is het in zijn belang dat hij tijdig, en dat is in [plaats 1] rond zijn derde verjaardag, wordt aangemeld voor een basisschool. Dat is niet haalbaar als er moet worden gewacht op de uitslag van een hogerberoepsprocedure.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent aan de moeder vervangende toestemming voor de aanmelding van [minderjarige] bij de voorschool in [plaats 1] voor (maximaal) 16 uur per week, met ingang van 15 januari 2026, en voorts bij logopediepraktijk Logopedie [plaats 4];

4.2.

verleent aan de moeder vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] bij [school 1] in [plaats 1];

4.3.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst de verzoeken voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G.L.M. Urbanus, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. L.N. van Oostveen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.