Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 13 april 2026

ECLI:NL:RBMNE:2026:1436Zaaknummer UTR 25/2432

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/2432
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over toeslagjaren 2009 tot en met 2014. Dienst Toeslagen heeft dat verzoek terecht afgewezen en geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op compensatie omdat de kinderopvangtoeslag door of namens eiseres destijds is stopgezet. Het beroep is ongegrond.

uitspraak te ondertekenen

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2432

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over toeslagjaren 2009 tot en met 2014. Eiseres wil worden gecompenseerd naar aanleiding van de toeslagenaffaire. Dienst Toeslagen heeft dat verzoek afgewezen omdat eiseres geen recht zou hebben op compensatie. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank zal in deze uitspraak de vraag beantwoorden of Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op compensatie.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft Dienst Toeslagen verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2014.

2.1.

Dienst Toeslagen heeft dat verzoek afgewezen omdat eiseres geen recht heeft op compensatie. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.

2.2.

Op 26 februari 2025 heeft Dienst Toeslagen beslist op het bezwaar van eiseres en is zij bij de afwijzing gebleven (het bestreden besluit).

2.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres in beroep alleen heeft aangevoerd dat de compensatie voor toeslagjaren 2009 en 2010 onterecht is afgewezen. Voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 heeft eiseres alleen haar bezwaargronden herhaald. Eiseres heeft in beroep dus niet aangegeven waarom de gemotiveerde beslissing van Dienst Toeslagen op haar bezwaar niet juist is. De rechtbank kan daarom uit het beroepschrift niet afleiden waarom eiseres het niet eens is met het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toeslagjaren 2011 tot en met 2014. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om het besluit voor wat betreft die toeslagjaren onjuist te vinden. Om die reden behandelt de rechtbank hieronder alleen de inhoudelijke beroepsgronden van eiseres die gaan over toeslagjaren 2009 en 2010.

Heeft eiseres recht op compensatie?

4. Dienst Toeslagen stelt dat eiseres evident geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2009 en 2010 omdat eiseres de KOT voor die jaren heeft stopgezet. Ook zijn er voor 2010 brieven gestuurd waarin eiseres onder meer wordt gevraagd om te onderbouwen dat zij in die jaren wel kinderopvang heeft afgenomen. Dienst Toeslagen stelt dat eiseres niet op die brieven heeft gereageerd.

4.1.

Eiseres stelt allereerst dat Dienst Toeslagen geen bewijs heeft aangeleverd dat zij de KOT zelf heef stopgezet. Voor zover Dienst Toeslagen dat wel heeft gedaan, stelt eiseres dat dit interne documentatie is die voor eiseres niet controleerbaar is. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat de kinderopvang waar haar kinderen naartoe gingen ermee stopte en zij haar kinderen toen dus niet meer naar die kinderopvang of een andere kinderopvang heeft gestuurd. Eiseres heeft niet zelf haar KOT stopgezet. Daarbij stelt eiseres dat Dienst Toeslagen niet heeft bewezen dat eiseres niet heeft gereageerd op de vraagbrieven. Tijdens de zitting stelt eiseres dat zij die vraagbrieven niet zou hebben ontvangen.

4.2.

De rechtbank overweegt allereerst dat zij niet twijfelt aan de bewijsvoering van Dienst Toeslagen dat de KOT van eiseres door of namens haar is stopgezet. Dienst Toeslagen heeft namelijk een zogeheten ‘XML-bestand’ als bewijsstuk aangeleverd waarin staat dat de KOT van eiseres is stopgezet. Tijdens de zitting heeft Dienst Toeslagen uitgelegd dat het gaat om de KOT van eiseres omdat haar naam en BSN in het XML-bestand staan. Verder staat er geen zogeheten ‘UserID’ van een ambtenaar van Dienst Toeslagen. Die zou bijvoorbeeld wel in het XML-bestand hebben gestaan als eiseres met Dienst Toeslagen had gebeld en te woord was gestaan door een ambtenaar van Dienst Toeslagen en deze haar KOT had stopgezet. Daarvan is geen sprake. Dat betekent dat er geen ambtenaar van Dienst Toeslagen betrokken was bij de stopzetting en de stopzetting dus is doorgegeven met het DigiD van eiseres. Dat dit interne documentatie betreft, betekent overigens niet dat de rechtbank aanleiding ziet om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

4.3.

Verder stelt de rechtbank vast dat uit de Memorie van Toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt.[_8a6e40e3-ae5c-49b9-b37c-c17d82893f32] Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Eiseres moet dus meer doen dan alleen zeggen dat zij de KOT niet heeft stopgezet. Aannemelijk maken betekent dat eiseres aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat haar stellingen juist zijn.

4.4.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de KOT niet door of namens haar is stopgezet. Zelfs als de rechtbank eiseres zou volgen dat zij niet zelf de KOT heeft stopgezet, zou dat betekenen dat iemand anders met haar DigiD en inloggegevens de KOT heeft stopgezet, bijvoorbeeld een medewerker van de kinderopvang. Als daarvan sprake is, komt de stopzetting ook voor rekening en risico van eiseres. Het betreft namelijk haar KOT. Als eiseres in dat kader haar BSN, DigiD en haar inloggegevens aan een ander, bijvoorbeeld de kinderopvang, heeft verstrekt, blijft zij verantwoordelijk voor wijzigingen die de kinderopvang doorgeeft. De rechtbank ziet ten slotte ook geen aanleiding om te oordelen dat de vraagbrieven niet zouden zijn aangekomen of dat eiseres wel op die vraagbrieven heeft gereageerd.

4.5.

De rechtbank concludeert dat Dienst Toeslagen terecht heeft gesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie over toeslagjaren 2009 en 2010 omdat de KOT over die jaren door of namens eiseres is stopgezet en er daarom dus geen sprake is van vooringenomenheid door de Dienst Toeslagen[_c146766d-f1b8-4bd9-b48d-ec7639bf4799].

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Overige beroepsgronden

5. Eiseres stelt verder nog dat in het bestreden besluit niet op al haar bezwaargronden is ingegaan en dat het dossier niet compleet is.

5.1.

De rechtbank oordeelt allereerst dat Dienst Toeslagen in het bestreden besluit wel op alle bezwaargronden van eiseres is ingegaan en heeft gemotiveerd waarom die bezwaargronden niet slagen.

5.2.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het dossier compleet is. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat er stukken in het dossier zouden missen en zo ja, welke stukken dat dan zouden moeten zijn. Dat heeft eiseres niet gedaan. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat een aantal beschikkingen zouden missen, maar daarvan is tijdens de zitting gebleken dat die beschikkingen wel in het dossier zitten. Voor zover een berekening voor het toeslagjaar 2013 zou missen, merkt de rechtbank op dat de relevantie voor dit document ontbreekt omdat Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat eiseres in 2013 in België woonde en dus hoe dan ook geen recht had op KOT in Nederland (en dus ook niet op compensatie). Eiseres heeft niet weersproken dat zij in 2013 in België woonde.

5.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie over toeslagjaren 2009 en 2010. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.