Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 23 december 2025

ECLI:NL:RBMNE:2025:7169Zaaknummer C/16/594876

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/16/594876
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindbeschikking. Vader diende aan de rechtbank bewijzen van terugverhuizing over te leggen. Omdat hij dit heeft nagelaten en niet met de dochter is terugverhuisd, stelt de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de dochter met ingang van 1 januari 2026 vast bij de moeder. Dit betekent dat de dochter weer bij de moeder gaat wonen. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2025:6470, ECLI:NL:RBMNE:2025:6472)

De rechtbank:

4.1.

stelt met ingang van 1 januari 2026 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] vast bij de moeder;

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.V. van Duursen (voorzitter), mr. T. Dopheide en mr. N.W. Verbruggen-van Heijst, kinderrechters, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De belangrijke feiten
  3. 3 De verdere beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/594876 / FO RK 25-725

Hoofdverblijfplaats

Beschikking van 23 december 2025

in de zaak van:

[de vader],

volgens de Basisregistratie Personen geregistreerd in [plaats 1],

feitelijk verblijvende in [plaats 2], België,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. I.M.G. Maste,

tegen

[de moeder],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D.G. Nagel,

met als belanghebbende

De Jeugd- en Gezinsbeschermers

gevestigd in Amsterdam,

gecertificeerde instelling, hierna: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft eerder in deze zaak (tussen)beschikkingen gegeven op 17 oktober 2025 en 21 november 2025. Voor het verloop van de procedure tot aan 21 november 2025 verwijst de rechtbank naar de vorige beschikkingen.

1.2.

Daarna heeft de rechtbank geen nadere stukken ontvangen.

2 De belangrijke feiten

2.1.

Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de vorige beschikkingen.

2.2.

Voor de volledigheid benoemt de rechtbank dat het in deze zaak gaat om de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats].

3 De verdere beoordeling

Conclusie

3.1.

De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek van de moeder toe en stelt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] met ingang van 1 januari 2026 vast bij de moeder. Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij hem in België vast te stellen wijst de rechtbank af. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

Toelichting

3.2.

De rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2025 de beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] aangehouden in afwachting van nadere informatie van de vader. Na de tussenbeschikking heeft de rechtbank geen nadere informatie ontvangen van de vader. De rechtbank begrijpt hieruit dat de vader niet met [minderjarige (voornaam)] is terugverhuisd naar [plaats 1]. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de moeder toewijst en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] met ingang van 1 januari 2026 bij de moeder vaststelt. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de beschikking van 21 november 2025.

Het verzoek van de vader

3.3.

De vader heeft primair verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] in [plaats 2] (België) vast te stellen. De rechtbank heeft in de beschikking van 21 november 2025 het subsidiaire verzoek van de vader om aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige (voornaam)] naar België te verhuizen, afgewezen. Het primaire verzoek van de vader om de

hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] in [plaats 2] (België) vast te stellen, wordt zoals hiervoor is overwogen ook afgewezen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

3.4.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing meteen moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De rechtbank vindt het belangrijk dat de beslissing meteen geldt omdat het voor [minderjarige (voornaam)] duidelijk moet zijn waar zij woont en naar school gaat. Het is niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] dat deze beslissing nog verder wordt uitgesteld. Zij verkeert namelijk al lange tijd in onzekerheid over waar zij zal gaan wonen en dat geeft haar veel spanning.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

stelt met ingang van 1 januari 2026 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] vast bij de moeder;

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.V. van Duursen (voorzitter), mr. T. Dopheide en mr. N.W. Verbruggen-van Heijst, kinderrechters, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.