Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 8 december 2025

ECLI:NL:RBMNE:2025:6715Zaaknummer UTR 25/2374

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2374
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Besluit ziet op schadeveroorzakende gebeurtenissen over het feitelijk handelen van de politie. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 heeft geoordeeld, kan eiser tegen dat schadebesluit geen beroep bij de bestuursrechter instellen. Rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 8 december 2025 in de zaak tussen
  2. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  3. Inleiding
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2374

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van Procureurs-Generaal, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 12 maart 2025.

1.1.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Verweerder heeft zich, zoals bericht, niet op zitting laten vertegenwoordigen.

1.3.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen.

2.1.

Eiser beoogt met zijn beroep om een herbeoordeling van de brief van 11 januari 2011 van het college van procureurs-generaal, waarin zijn verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Volgens eiser is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, die maken dat de brief van 11 januari 2011 inhoudelijk niet (langer) juist is Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 en stukken die in die zaak zijn overgelegd.[_7b4fa403-eda7-48f8-9ee0-58a58da63203]

2.2.

Voor zover eiser met zijn beroep beoogt om alsnog in aanmerking te komen voor schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat hiertegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.

2.3.

Om bij de bestuursrechter te kunnen procederen, moet er een besluit zijn in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Het verzoek om een heroverweging van de brief van 6 januari 2011 is niet gedaan naar aanleiding van een besluit in de zin van de Awb. Een brief waarin het verzoek om heroverweging wordt afgewezen zou in beginsel als een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit kunnen worden aangemerkt, maar niet als dat ziet op schadeveroorzakende gebeurtenissen over het feitelijk handelen van de politie. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 heeft geoordeeld, kan eiser tegen dat schadebesluit geen beroep bij de bestuursrechter instellen. Daarvoor zal eiser een procedure bij de civiele rechter moeten beginnen.

3. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.