Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 18 april 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:2373Zaaknummer UTR 23/5863, UTR 23/5864 en UTR 23/5866
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 18 april 2025
- Publicatiedatum
- 10 juni 2025
- Zaaknummer
- UTR 23/5863, UTR 23/5864 en UTR 23/5866
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiser heeft verzoeken ingediend om toekenning en uitbetaling van de gratificatie voor zijn 40-jarig ambtsjubileum en uitbetaling van salaris. De rechtbank is onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen als gevolg van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Eiser kan zich desgewenst tot de burgerlijke rechter wenden.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/5863, UTR 23/5864 en UTR 23/5866
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2025 in de zaken tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. F. Hoogeveen).
Inleiding
Eiser heeft op 8 (één) en 11 september 2023 (twee) aanvragen ingediend om toekenning en uitbetaling van de gratificatie vanwege zijn 40-jarig ambtsjubileum, uitbetaling van salaris voor Functie A ( universitair hoofddocent 2 bij [A]) en uitbetaling van salaris voor Functie B (niet-gepromoveerde Universitair Docent bij [B]).
Op 28 november 2023 heeft hij beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvragen. Het college heeft zich in een brief aan eiser van 30 november 2023 op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om van de beroepen kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het college hoeft echter geen besluit in de zin van de Awb te nemen op de verzoeken van eiser, omdat het college sinds 1 januari 2020 geen in het publiekrecht geregelde bevoegdheid meer heeft om (primaire) beslissingen te nemen over de rechtspositie van (gewezen) ambtenaren. Dit is het gevolg van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. In het overgangsrecht in artikel 16, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017 is opgenomen dat op besluiten of handelingen ten aanzien van een (gewezen) ambtenaar die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, de bestuursrechtelijke procedure van de Awb geldt. Voor besluiten of handelingen die na 1 januari 2020 zijn bekendgemaakt, is de burgerlijke rechter bevoegd. Gelet op de datum van de aanvragen van eiser, is een antwoord hierop dan ook geen bestuursrechtelijk besluit en is de bestuursrechter niet bevoegd over een dergelijk antwoord een oordeel te geven. Dit geldt dan ook voor het uitblijven van een antwoord. Eiser kan desgewenst een vordering bij de burgerlijke rechter indienen.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank is onbevoegd. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.