Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 12 februari 2025

ECLI:NL:RBMNE:2025:1843Zaaknummer 24/5238

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
24/5238
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT UHT

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van

A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.

de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/5238

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. H. Sala),

en

Dienst Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: mr. [gemachtige] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 25 juli 2022 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.

Op 13 augustus 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 3 september 2024 een reactie gegeven op het verweerschrift.

De rechtbank heeft op 16 oktober 2024 per e-mail van verweerder vernomen dat hij inmiddels heeft beslist op de aanvraag om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.

Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht.[_66bb66ba-b0d2-46cc-88fa-9133a10a7f15] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij beschikking van 26 september 2024 heeft verweerder beslist op de aanvraag van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.

2. De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen eiseres en verweerder met betrekking tot het niet tijdig beslissen niet meer bestaat, aangezien verweerder een beschikking heeft genomen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

3. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep van rechtswege ook gericht tegen het besluit dat verweerder alsnog heeft genomen. De rechtbank heeft daarom bij brief van 2 december 2024 aan eiseres verzocht of zij binnen vier weken aan de rechtbank wil laten weten of zij het ofwel eens is met het alsnog genomen besluit en het beroep intrekt ofwel dat zij uitlegt waarom zij het niet eens is het met het alsnog genomen besluit. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat eiseres het eens is met het alsnog genomen besluit.

4. Omdat eiseres terecht een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld en verweerder tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

4. Ook ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- aan haar moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van

A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.

de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.