Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 30 december 2024

ECLI:NL:RBMNE:2024:7416Zaaknummer UTR 24/434

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30 december 2024
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
UTR 24/434
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BNT UHT, geen procesbelang, wel toekenning pkv

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2024.

(De griffier is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen).

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
  3. Inleiding
  4. Overwegingen
  5. Beslissing
  6. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/434

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),

en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 25 juli 2023 tegen de beschikking van 30 april 2021 met kenmerk CAP/UCF/21/093 UHT.

Bij beschikking van 30 april 2021 heeft verweerder bepaald dat hij nog geen reden ziet om €30.000 te betalen aan eiser.

Met het besluit van 14 februari 2024 heeft verweerder gereageerd op het bezwaar van eiser van 25 juli 2023. Onder verwijzing naar het besluit van 13 september 2022 met kenmerk UHT-DC I heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft een proceskostenvergoeding toegekend aan eiser.

Op 31 januari 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 8 februari 2024 een reactie gegeven op het verweerschrift. Op 9 februari 2024 heeft eiser, na ontvangst van de beslissing op bezwaar van 14 februari 2024, aangegeven dat hij van mening is dat deze beroepsprocedure terecht is ingesteld en verzoekt hierbij om een proceskostenvergoeding.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.[_7785758a-cdd5-4d5b-b75e-6760896884db] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.[_57e82cbb-f43c-41b3-a5d8-c67ac313456d]

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels met het besluit van 14 februari 2024 alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Dit betekent dat het procesbelang van eiser bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te vervallen.

4. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van € 437,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2024.

(De griffier is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen).

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.