Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Midden-Nederland, 13 september 2023

ECLI:NL:RBMNE:2023:7560Zaaknummer 10077403 \ UC EXPL 22-5752

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
10077403 \ UC EXPL 22-5752
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan bewijsopdracht. Vordering betaling toegewezen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.795,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.497,32 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat het gehele bedrag is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet aan OHRA haar proceskosten betalen, tot op heden begroot op € 992,24 waarvan € 497,50 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. De vordering van OHRA zal worden toegewezen
  4. 3. De beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 10077403 UC EXPL 22-5752 VL/58599

Vonnis van 13 september 2023

inzake

de naamloze vennootschap

OHRA Zorgverzekeringen NV,

gevestigd te Tilburg,

verder ook te noemen OHRA,

eisende partij,

gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.G. van Westrenen.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 14 juni 2023 heeft de kantonrechter in deze zaak tussenvonnis gewezen. [gedaagde] was aan zet met een bewijsopdracht, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt. Daarom heeft de kantonrechter bepaald dat eindvonnis zal worden gewezen.

2 De beoordeling

De vordering van OHRA zal worden toegewezen

2.1.

In het tussenvonnis van 14 juni 2023 heeft de kantonrechter [gedaagde] opgedragen om te bewijzen dat ANWB de schade die benadeelde heeft geleden als gevolg van het ongeval op 20 mei 2019 reeds aan OHRA heeft vergoed. [gedaagde] mocht dit bewijs leveren aan de hand van schriftelijke stukken of het horen van getuigen.

2.2.

De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de rolzitting van woensdag 12 juli 2023 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

2.3.

Als gevolg hiervan is niet komen vast te staan dat ANWB de schade die benadeelde heeft geleden als gevolg van het ongeval op 20 mei 2019 al aan OHRA heeft vergoed. De vordering van OHRA van € 1.497,32 is dus niet door betaling teniet gegaan en zal worden toegewezen.

Rente

2.4.

OHRA vordert een bedrag van € 26,17 aan wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 27 augustus 2021 tot aan de dag van de dagvaarding. Aangezien [gedaagde] op 27 augustus 2021 in verzuim was, zal de kantonrechter deze vordering toewijzen.

2.5.

Daarnaast vordert OHRA wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat alles is betaald. Deze vordering zal de kantonrechter op dezelfde grond toewijzen.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

2.6.

OHRA vordert een bedrag van € 271,77 aan buitengerechtelijke incassokosten, inclusief btw. Omdat voldoende is gesteld en gebleken dat het gaat om verrichtingen die meer omvatten dan de verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding toekent, is de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar. De hoogte van het gevorderde bedrag is, op € 00,01 na, in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 271,76.

2.7.

OHRA heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw is toewijsbaar, omdat OHRA de btw niet kan verrekenen en zij [gedaagde] een aanmaning heeft gestuurd zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Wetboek.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. Dit betekent dat [gedaagde] haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van OHRA aan haar moet betalen, tot aan dit moment begroot op:

- kosten dagvaarding€ 129,74
- salaris gemachtigde€ 497,50(2,5 punten x tarief € 199,00)
- griffierecht€ 365,00
Totaal€ 992,24

Uitvoerbaar bij voorraad

2.9.

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

3. De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.795,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.497,32 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat het gehele bedrag is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet aan OHRA haar proceskosten betalen, tot op heden begroot op € 992,24 waarvan € 497,50 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.