Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 4 september 2023

ECLI:NL:RBMNE:2023:4653Zaaknummer UTR 22/3033

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
4 september 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
UTR 22/3033
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

niet tijdig beslissen, no

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 1 november 2022 ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2023.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over verzet

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/3033

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen

[eiser 1], uit [woonplaats],

[eiser 2] uit [woonplaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, het college

(gemachtigde: mr. R Snijder).

Inleiding

Het college heeft met het besluit van 10 maart 2023 een omgevingsvergunning verleend

voor een appartementengebouw met 25 zorgappartementen op het adres [adres] in [woonplaats]. Het college heeft dit besluit voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.[_e0d9cac7-1dbf-491a-94c4-a6be215afdef] Eisers zijn omwonenden en hebben, samen met anderen, tijdig een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend. In deze zienswijze is ook verzocht om inzage in alle relevante stukken die aan het ontwerpbesluit ten grondslag hebben gelegen.

Op 15 oktober 2021 heeft het college een e-mailbericht gestuurd waarin, kort gezegd, staat dat de ontvangen zienswijze in behandeling wordt genomen. De wettelijke zienswijzentermijn kan niet worden verlengd en dat betekent dat het college eisers geen extra tijd kan bieden om de zienswijze aan te vullen. Eisers vraag over het beschikbaar stellen van stukken wordt aangemerkt als een verzoek in de zin van Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en doorloopt een andere procedure (UTR 22/3441).

Op 21 oktober 2021 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering om inzage te

verlenen in de relevante stukken en het niet gunnen van een nadere termijn voor het aanvullen van de zienswijze. Deze zaak gaat over de beslissing van het college om de termijn voor het aanvullen van de zienswijze niet te verlengen.

Op 29 juni 2022 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een

beslissing op hun bezwaar.

Met de besluiten van 1 november 2022 (de bestreden besluiten) heeft het college alsnog

beslist op het bezwaar van eisers en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Op 23 november 2022 heeft de rechtbank eisers in de gelegenheid gesteld om te

reageren op de bestreden besluiten. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en hebben op 21 december 2022 gronden tegen het bestreden besluit ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eisers hebben geen belang meer bij de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig

beslissen, omdat er inmiddels inhoudelijk is beslist. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen van rechtswege ook betrekking heeft op het alsnog genomen inhoudelijke besluiten van 1 november 2022, beoordeelt de rechtbank hierna deze inhoudelijke besluiten.

2. Eisers voeren – kort samengevat – aan dat zij nog steeds belang hebben bij hun beroep

omdat het college de gevraagde informatie niet (volledig) heeft verstrekt. Daarnaast verzoeken zij om vergoeding van immateriële schade die zij stellen te hebben geleden vanwege het vele werk dat zij aan deze procedure hebben gehad en geschaad vertrouwen.

3. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Artikel 6:3 van de Awb bepaalt dat een beslissing

in de procedure ter voorbereiding van een ander besluit (de hoofdprocedure) niet voor bezwaar of beroep vatbaar is, tenzij deze voorbereidingsbeslissing de belanghebbende los van het besluit in de hoofdprocedure rechtstreeks in zijn belang raakt. De achtergrond hiervan is dat de hoofdprocedure op die manier niet nodeloos wordt vertraagd door verschillende subprocedures over voorbereidingsbeslissingen. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van het college om eisers geen langere termijn te geven om hun zienswijze aan te vullen (de voorbereidingsbeslissing), niet los kan worden gezien van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning (de hoofdprocedure). De beslissing van het college kan worden getoetst in de hoofdzaak en als die beslissing een ernstig gebrek in de voorprocedure oplevert, kan dit leiden tot vernietiging van het besluit (de verleende omgevingsvergunning) in die hoofdprocedure. Dit laatste is ook de reden waarom het betoog van eisers dat er wel sprake is van een rechtstreeks belang niet slaagt. Ook eisers verwijzing naar de Crisis- en herstelwet levert geen rechtstreeks belang omdat niet valt in te zien waarom een beroepsgrond over een gebrek in de voorbereiding van het besluit niet binnen de beroepstermijn in de hoofdzaak zou kunnen worden ingediend.

4. Het standpunt van het college dat er geen sprake is van een besluit waar eisers bezwaar

tegen konden maken is dus juist. Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor vergoeding van de door eisers gevraagde immateriële schade bestaat geen aanleiding. Het beroep tegen de bestreden besluiten is kennelijk ongegrond. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank deze uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.

Conclusie en gevolgen

Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van besluiten is niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen de bestreden besluiten is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de

bestreden besluiten in stand blijven.

Eisers verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 1 november 2022 ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2023.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.