Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 april 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:2503Zaaknummer UTR 22/5447
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 april 2023
- Publicatiedatum
- 12 juni 2023
- Zaaknummer
- UTR 22/5447
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Proceskostenveroordeling uitspraak. Geen reden voor proceskostenveroordeling omdat verzoeker geen procesbelang meer had bij voorlopige voorziening. Verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 april 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5447
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
UWV, verweerder
(gemachtigde; J. van den Boogaard).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft ter zitting op 6 februari 2023 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 30 november 2022 de aanvraag van [bedrijf] B.V., de werkgever van verzoeker, om verlenging van de verleende tewerkstellingsvergunning voor de periode van 10 januari 2022 tot 27 juni 2022, afgewezen. Hiertegen is verzoeker in bezwaar gegaan en heeft ook om een voorlopige voorziening gevraagd. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 4 november 2022 ongegrond verklaard. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening is omgeklapt naar een voorlopige voorziening hangende beroep. Op
6 februari 2023 heeft de zitting plaatsgevonden waarbij het beroep en de voorlopige voorziening zijn behandeld.
2. Ter zitting heeft verzoeker medegedeeld dat hij inmiddels een nieuwe tewerkstellingsvergunning heeft gekregen voor de duur van zes maanden, van
23 januari 2023 tot 10 juli 2023. Verzoeker heeft daarna het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
3. De voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Verweerder heeft ter zitting gelijk gereageerd op het verzoek om proceskosten en heeft aangegeven dat hij geen reden zag voor vergoeding van de proceskosten.
5. De voorzieningenrechter geeft verweerder gelijk omdat verzoeker op 6 februari 2023 geen procesbelang meer had bij het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker is inmiddels namelijk in het bezit van een tewerkstellingsvergunning. Door het verloop van tijd had eiser geen belang meer bij het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen reden om verweerder te veroordelen in de proceskoten van verzoeker.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 april 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.