Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 20 september 2022

ECLI:NL:RBMNE:2022:5303Zaaknummer UTR 22/1671

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
UTR 22/1671
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

PKV

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 726,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van

K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 september 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 22/1671

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2022 in de zaak tussen

[verzoekster], te [vestigingsplaats], verzoekster,

(gemachtigde: drs. R. van Stee RA),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen verweerders besluit van 9 december 2021. Verweerder heeft op 1 maart 2022 een besluit op dit bezwaar genomen en beslist dat het bezwaar gegrond is. Verweerder heeft beslist dat verzoekster recht heeft op een definitieve tegemoetkoming van € 11.406,- voor de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW). Verzoekster is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan.

Op 28 juli 2022 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij het besluit van

1 maart 2022 heeft gewijzigd. Verweerder heeft de definitieve tegemoetkoming voor de NOW waar verzoekster recht op heeft vastgesteld op € 12.482,-. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten. Verweerder heeft op 1 september 2022 gereageerd op dit verzoek. In zijn reactie heeft verweerder meegedeeld dat hij er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

2. Als het beroep en is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. De rechtbank stelt vast dat verzoekster haar beroep heeft ingetrokken nadat verweerder haar tegemoet is gekomen en de definitieve tegemoetkoming voor de NOW heeft vastgesteld op € 12.482,-. Eiseres komt dus in aanmerking voor een proceskostenvergoeding. Zij verzoekt om een vergoeding van € 726,- voor kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit is minder dan het forfaitaire tarief uit het Bpb. De rechtbank wijst dit bedrag aan proceskosten toe.

4. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41 van de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 726,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van

K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 september 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.