Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 23 augustus 2022

ECLI:NL:RBMNE:2022:3364Zaaknummer 16-102192-22 (ontneming)

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23 augustus 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
16-102192-22 (ontneming)
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 100,- en een betalingsverplichting van € 0,-. Verbeurdverklaarde beslag in hoofdzaak is in mindering gebracht.

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 100,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 0,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mrs. G.A. Bos en S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2022.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
  2. 2 VORDERING
  3. 3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
  4. 4 TOEGEPAST WETSARTIKEL
  5. 5 BESLISSING

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-102192-22 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [1998] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [postcode] [woonplaats],

hierna te noemen: veroordeelde.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. D.P.L. ter Laake en van hetgeen veroordeelde en mr. A. Raaijmakers, advocaat te Oisterwijk, naar voren hebben gebracht.

2 VORDERING

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat er geen voordeelsberekening aan het dossier is toegevoegd.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen, aangezien een voordeelsberekening ontbreekt.

3 BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Naar het oordeel van de rechtbank staat het ontbreken van een voordeelsberekening niet zonder meer in de weg aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering. Het ontbreken van een dergelijke berekening heeft in het bijzonder gevolgen voor de manier waarop de rechtbank het (in de vordering genoemde) wederrechtelijk verkregen voordeel kan beoordelen, in die zin dat de rechtbank daarbij is aangewezen op de (andere) wettige bewijsmiddelen. De rechtbank ziet in het ontbreken van een dergelijke berekening in deze zaak geen reden om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

3.2

De grondslag van de vordering

De veroordeelde is bij vonnis van 23 augustus 2022 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

gepleegd op 22 april 2022.

De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de stukken niet aannemelijk geworden dat veroordeelde andere strafbare feiten heeft begaan dan waarvoor hij is veroordeeld bij vonnis van 23 augustus 2022. Bij de beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank hierna in het bijzonder uitgaan van het hierboven genoemde strafbare feit en de bewezenverklaarde dealperiode van één dag.

3.2

Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel [_3f32bb90-a8c3-4c1f-b987-fdac7767b1bd]

De rechtbank leidt uit de verklaring van afnemer [A][_f9a3b75f-eb0c-45e8-927e-e5bfef985be8] af dat veroordeelde een bedrag van € 50,- heeft verdiend door de verkoop van cocaïne. Uit het dossier kan bovendien worden afgeleid dat veroordeelde uitsluitend cocaïne voorhanden had die hij, naar eigen zeggen[_a53cda9a-9cba-42c4-b334-c38fc2053ae4], van een ander had gekregen. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van het dossier vast dat verdachte eerder die dag één andere deal had gesloten. .[_17e7d3ce-96fd-4ef1-84bd-b8e76ea79dc2] De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde hiermee eveneens € 50,- heeft verdiend.

Uit de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting dat hij de cocaïne van iemand anders heeft gekregen, leidt de rechtbank af dat veroordeelde geen kosten heeft hoeven maken. De rechtbank brengt daarom geen kosten in mindering op het door veroordeelde verdiende geldbedrag.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 100,-.

3.3

Toerekening van het voordeel

De rechtbank leidt uit het dossier af dat veroordeelde met een ander heeft gehandeld in cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat de medepleger op enig moment de beschikking over het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gehad of had kunnen hebben. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het voordeel (deels) aan een ander dan veroordeelde toe te rekenen.

3.4

Betalingsverplichting

De rechtbank heeft in de strafzaak van veroordeelde een geldbedrag van € 100,- verbeurd verklaard als opbrengst uit hetzelfde feit dat ten grondslag ligt aan de onderhavige ontneming. Gelet op het rechtsherstellende karakter van de ontnemingsmaatregel zal de rechtbank het verbeurdverklaarde geldbedrag in mindering brengen op de betalingsverplichting. De rechtbank stelt daarom het bedrag dat door veroordeeld dient te worden betaald aan de staat, vast op € 0,-.

4 TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 100,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 0,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mrs. G.A. Bos en S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2022.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.