Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 16 november 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:6540Zaaknummer AWB - 21 _ 2104
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 16 november 2021
- Publicatiedatum
- 31 mei 2022
- Zaaknummer
- AWB - 21 _ 2104
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Pw; BIjstand terecht afgewezen; geen rechtmatig verblijf
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter en griffier zijn beiden verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2104
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: B. Arabaci).
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van
eiseres om een bijstandsuitkering afgewezen.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 24 december 2020[_023f7a13-936e-42f8-ad84-e28aad0fd7d7] heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres afgewezen.
Bij besluit van 23 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van
eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021 via Skype. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 3 juni 2020 een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Deze aanvraag is bij besluit van
23 juli 2020 afgewezen, omdat zij al een gezamenlijke uitkering had met de heer [naam]. Tegen dit besluit heeft zij geen rechtsmiddelen ingesteld. Op 13 september 2020 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ingediend. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij alleenstaand is.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering vanwege haar verblijfsstatus. Uit contact met de Immigratie- en Naturalisatie (IND) op 14 december 2020 is gebleken dat eiseres op
31 maart 2020 een nieuwe aanvraag om verblijfvergunning heeft ingediend. Zij heeft van de IND code 31 toegekend gekregen. Eiseres had rechtmatig verblijf ten tijde van de aanvraag, maar dat gaf haar geen recht op een uitkering op grond van de Pw.
3. Eiseres meent dat zij in aanmerking dient te komen voor een bijstandsuitkering, omdat zij gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Zij stelt rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, onderdeel g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Ter beoordeling staat of eiseres in de periode van 13 september 2020 (datum melding) tot en met 15 september 2020 (datum primaire besluit) aanspraak had op bijstand.
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Voor zover hier van belang, wordt op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw, in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vw.
De rechtbank heeft op 28 september 2021 ook een andere beroepszaak van eiseres, met een andere gemachtigde van eiseres, behandeld[_ce6a3fd0-9bbf-4cab-a266-461027cce0d5]. Bij de behandeling van die zaak is de rechtbank ermee bekend geraakt dat eiseres tot 11 juli 2019 een verblijfsvergunning asiel heeft gehad. Deze verblijfsvergunning is met terugwerkende kracht ingetrokken tot de ingangsdatum 11 juli 2014. Reeds daarom faalt het beroep van eiseres, want zij heeft nooit rechtmatig verblijf gehad.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter en griffier zijn beiden verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.