Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 3 december 2021

ECLI:NL:RBMNE:2021:5929Zaaknummer UTR 21/3694

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
23 september 2022
Zaaknummer
UTR 21/3694
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak, herbeoordeling Wet WIA, arbeidsongeschiktheid ongewijzigd, beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Overwegingen

1. Eiser is het niet eens met de uitkomst van zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hij voelt zich lichamelijk en psychisch niet stabiel en kan naar eigen zeggen niet werken. Na twee heftige jaren is hij nog steeds afhankelijk van antidepressiva en moet hij zich dagelijks opladen om iets van de dag te maken. Zijn herstel gaat niet zo snel als hij had verwacht.

3. De rechtbank begrijpt dat eiser het niet eens is met de medische rapporten van verweerder. De redenen die eiser daarbij geeft, zijn echter niet voldoende om de medische rapporten terzijde te schuiven. De medische rapporten zijn door verzekeringsartsen opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor het opstellen van zijn rapport de dossiergegevens bestudeerd en eiser gesproken en onderzocht. Ook is medische informatie over eiser opgevraagd bij de voormalig behandelaar van eiser van het [Instituut]. De rechtbank vindt deze onderzoeksactiviteiten zorgvuldig.

4. De rechtbank oordeelt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport duidelijk en inzichtelijk heeft uitgelegd hoe hij tot zijn beoordeling is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt de eerdere medische beoordeling. Hij ziet geen aanleiding voor andere klachten of een andere belastbaarheid bij eiser dan bij de eerdere WIA-beoordeling bij einde wachttijd is vastgesteld. Hoewel de klachten en beperkingen die eiser aangeeft aannemelijk zijn, lijken de aard en de ernst van die klachten namelijk niet anders te zijn dan eerder is vastgesteld. Dit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook niet uit de informatie van de voormalig behandelaar van eiser.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding de medische rapporten onjuist te achten. Hoewel de visie van eiser op zijn gezondheidstoestand begrijpelijk is, is dat onvoldoende voor de rechtbank. Eiser heeft namelijk geen medische informatie ingeleverd waarmee dat onderbouwd wordt.

6. De rechtbank volgt dus de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. Op basis daarvan heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiser ongewijzigd vastgesteld.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

3 december 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 3 december 2021 in de zaak tussen
  2. Inleiding en procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen
  5. Rechtsmiddel

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/3694

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

3 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding en procesverloop

Eiser heeft op 2 oktober 2020 bij verweerder gemeld dat hij per 30 september 2020 meer klachten heeft.

In het besluit van 20 november 2020 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling bij einde wachttijd op 28 januari 2020. Eiser is 73,12% arbeidsongeschikt. Verweerder baseert zich hierbij op een medisch en een arbeidsdeskundig rapport.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.

In het besluit van 22 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder baseert zich hierbij op een medisch en een arbeidsdeskundig rapport in bezwaar.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 3 december 2021 via Skype for Business behandeld. Op de zitting waren eiser en de gemachtigde van verweerder aanwezig.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Overwegingen

1. Eiser is het niet eens met de uitkomst van zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hij voelt zich lichamelijk en psychisch niet stabiel en kan naar eigen zeggen niet werken. Na twee heftige jaren is hij nog steeds afhankelijk van antidepressiva en moet hij zich dagelijks opladen om iets van de dag te maken. Zijn herstel gaat niet zo snel als hij had verwacht.

3. De rechtbank begrijpt dat eiser het niet eens is met de medische rapporten van verweerder. De redenen die eiser daarbij geeft, zijn echter niet voldoende om de medische rapporten terzijde te schuiven. De medische rapporten zijn door verzekeringsartsen opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor het opstellen van zijn rapport de dossiergegevens bestudeerd en eiser gesproken en onderzocht. Ook is medische informatie over eiser opgevraagd bij de voormalig behandelaar van eiser van het [Instituut]. De rechtbank vindt deze onderzoeksactiviteiten zorgvuldig.

4. De rechtbank oordeelt verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport duidelijk en inzichtelijk heeft uitgelegd hoe hij tot zijn beoordeling is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt de eerdere medische beoordeling. Hij ziet geen aanleiding voor andere klachten of een andere belastbaarheid bij eiser dan bij de eerdere WIA-beoordeling bij einde wachttijd is vastgesteld. Hoewel de klachten en beperkingen die eiser aangeeft aannemelijk zijn, lijken de aard en de ernst van die klachten namelijk niet anders te zijn dan eerder is vastgesteld. Dit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook niet uit de informatie van de voormalig behandelaar van eiser.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding de medische rapporten onjuist te achten. Hoewel de visie van eiser op zijn gezondheidstoestand begrijpelijk is, is dat onvoldoende voor de rechtbank. Eiser heeft namelijk geen medische informatie ingeleverd waarmee dat onderbouwd wordt.

6. De rechtbank volgt dus de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. Op basis daarvan heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiser ongewijzigd vastgesteld.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

3 december 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.