Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:5664Zaaknummer UTR 21/293
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2021
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2022
- Zaaknummer
- UTR 21/293
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroepschrift zal ingevolge artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift worden doorgezonden aan verweerder.
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het besluit van 4 december 2020 naar verweerder ter behandeling als bezwaar;
- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 748,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/293
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
(gemachtigde: mr. A.G. Ton),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 13 januari 2021 tegen het
besluit van verweerder van 4 december 2020.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie heeft om een besluit te nemen.
2. Eiser heeft bij brief van 7 oktober 2020 een brief naar verweerder verstuurd waarin hij verzoekt om de beslissing van 7 juli 2020 te herzien. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de bezwaartermijn is ingediend.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij geen bezwaar heeft ingediend aangezien er duidelijk in de brief van 7 oktober 2020 staat omschreven dat het een verzoek tot ambtshalve wijziging betreft.
4. De rechtbank is het met eiser eens dat verweerder de brief van 7 oktober 2020 ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaarschrift. Er staat duidelijk in de brief aangegeven dat eiser een verzoek doet om terug te komen op de beslissing. Nu er geen sprake is van een bezwaar, kon verweerder ook geen beslissing op bezwaar nemen. De beslissing van
4 december 2020 dient daarom te worden gezien als een primair besluit waartegen bezwaar openstaat. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van de Awb).
5. Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift zal doorzenden aan het verweerder.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.
7. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag van
€ 748,-, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep tegen het besluit van 4 december 2020 naar verweerder ter behandeling als bezwaar;
- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 748,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.