Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 11 januari 2021

ECLI:NL:RBMNE:2021:294Zaaknummer UTR 20/3644

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11 januari 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
UTR 20/3644
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vergoeding eigen bijdrage op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO. Verweerder heeft erkend dat een te laag aantal opvanguren is gebruikt bij de berekening. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO regelt de tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouders in de kosten voor kinderopvang, in de periode van 16 maart 2020 tot en met 19 mei 2020, waarin in verband met COVID-19 de kinderopvanglocaties waren gesloten.

3. Verweerder heeft de tegemoetkoming waar eiseres aanspraak op maakt vastgesteld op

€ 345.-. Daarbij is verweerder uitgegaan van de gegevens die op 6 april 2020 (de peildatum) door de Belastingdienst/Toeslagen verwerkt waren. Uit die gegevens blijkt dat eiseres op dat moment gebruik maakte van 23 uren kinderopvang per maand.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder is uitgegaan van een onjuist aantal opvanguren. In werkelijkheid maakte zij op de peildatum gebruik van 143 uren kinderopvang per maand. Dat is na de peildatum, op 27 juni 2020, doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. Verder was al vanaf 2018 bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend dat er door eiseres in ieder geval 114 opvanguren per maand werden afgenomen. Dat blijkt uit de meldingen van eiseres in het dossier, die kennelijk niet goed zijn verwerkt door de Belastingdienst/Toeslagen. Verder doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Tijdens de sluiting van de kinderopvanglocaties heeft de overheid steeds gecommuniceerd dat ouders die hun kind niet naar de opvang konden brengen, maar wel de rekeningen doorbetaalden, hun eigen bijdrage terug zouden krijgen. De peildatum van 6 april 2020 is daarbij niet genoemd. Eiseres mocht er daarom van uit gaan dat zij de volledige eigen bijdrage vergoed zou krijgen.

5. Verweerder heeft tijdens de zitting erkend dat hij in het geval van eiseres ten onrechte van 23 opvanguren per maand is uitgegaan en dat moet worden uitgegaan van 114 opvanguren er maand. Uit de meldingen in het dossier blijkt immers dat eiseres al op 29 september 2018 bij de Belastingdienst/Toeslagen heeft opgegeven dat zij gebruik maakte van 114 opvanguren per maand. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij de tegemoetkoming opnieuw wordt berekend aan de hand van 114 opvanguren per maand. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk voor wat betreft haar stelling dat bij de vaststelling van de tegemoetkoming moet worden uitgegaan van 143 opvanguren per maand. Op de peildatum van 6 april 2020[_e7071671-daa0-49f4-be11-7feeecf7df4b], was dit aantal opvanguren niet verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen. Eiseres heeft dit aantal uren pas later doorgegeven.

7. Eiseres kan wat betreft de peildatum ook geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Daarvoor is nodig dat zij aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Niet gebleken is dat de overheid concreet en ondubbelzinnig heeft toegezegd dat in het geval van eiseres de volledige eigen bijdrage zou worden vergoed, zonder dat daarbij een peildatum zou worden gehanteerd en ondanks dat het juiste aantal opvanguren door eiseres niet was doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 11 januari 2021 in de zaak tussen
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen
  5. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3644

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

11 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A. van Dijk).

Procesverloop

In het besluit van 30 juni 2020 (primair besluit) heeft verweerder op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO een vergoeding van € 345,- vastgesteld.

In het besluit van 3 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021 via Skype for Business. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar partner [partner]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. De Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO regelt de tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouders in de kosten voor kinderopvang, in de periode van 16 maart 2020 tot en met 19 mei 2020, waarin in verband met COVID-19 de kinderopvanglocaties waren gesloten.

3. Verweerder heeft de tegemoetkoming waar eiseres aanspraak op maakt vastgesteld op

€ 345.-. Daarbij is verweerder uitgegaan van de gegevens die op 6 april 2020 (de peildatum) door de Belastingdienst/Toeslagen verwerkt waren. Uit die gegevens blijkt dat eiseres op dat moment gebruik maakte van 23 uren kinderopvang per maand.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder is uitgegaan van een onjuist aantal opvanguren. In werkelijkheid maakte zij op de peildatum gebruik van 143 uren kinderopvang per maand. Dat is na de peildatum, op 27 juni 2020, doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. Verder was al vanaf 2018 bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend dat er door eiseres in ieder geval 114 opvanguren per maand werden afgenomen. Dat blijkt uit de meldingen van eiseres in het dossier, die kennelijk niet goed zijn verwerkt door de Belastingdienst/Toeslagen. Verder doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Tijdens de sluiting van de kinderopvanglocaties heeft de overheid steeds gecommuniceerd dat ouders die hun kind niet naar de opvang konden brengen, maar wel de rekeningen doorbetaalden, hun eigen bijdrage terug zouden krijgen. De peildatum van 6 april 2020 is daarbij niet genoemd. Eiseres mocht er daarom van uit gaan dat zij de volledige eigen bijdrage vergoed zou krijgen.

5. Verweerder heeft tijdens de zitting erkend dat hij in het geval van eiseres ten onrechte van 23 opvanguren per maand is uitgegaan en dat moet worden uitgegaan van 114 opvanguren er maand. Uit de meldingen in het dossier blijkt immers dat eiseres al op 29 september 2018 bij de Belastingdienst/Toeslagen heeft opgegeven dat zij gebruik maakte van 114 opvanguren per maand. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij de tegemoetkoming opnieuw wordt berekend aan de hand van 114 opvanguren per maand. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk voor wat betreft haar stelling dat bij de vaststelling van de tegemoetkoming moet worden uitgegaan van 143 opvanguren per maand. Op de peildatum van 6 april 2020[_e7071671-daa0-49f4-be11-7feeecf7df4b], was dit aantal opvanguren niet verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen. Eiseres heeft dit aantal uren pas later doorgegeven.

7. Eiseres kan wat betreft de peildatum ook geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Daarvoor is nodig dat zij aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Niet gebleken is dat de overheid concreet en ondubbelzinnig heeft toegezegd dat in het geval van eiseres de volledige eigen bijdrage zou worden vergoed, zonder dat daarbij een peildatum zou worden gehanteerd en ondanks dat het juiste aantal opvanguren door eiseres niet was doorgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.