Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland, 22 april 2021
ECLI:NL:RBMNE:2021:2012Zaaknummer UTR 21/1036
- Instantie
- Rechtbank Midden-Nederland
- Datum uitspraak
- 22 april 2021
- Publicatiedatum
- 30 september 2022
- Zaaknummer
- UTR 21/1036
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Pv mondelinge uitspraak. Verzoek vovo afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in dit geval geen sprake.
- Verweerder heeft de voorzieningenrechter laten weten dat verzoeker sinds 1 maart 2021 geen huurder meer is van het pand waarin het horecabedrijf is gevestigd en dat hij op 8 maart 2021 het horecabedrijf heeft verkocht. De koper heeft zich als eigenaar geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en een exploitatievergunning aangevraagd bij verweerder. Verzoeker heeft de juistheid van deze informatie bevestigd. Gelet hierop heeft verzoeker geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.
- Verzoeker voert aan dat zijn spoedeisend belang nog is gelegen in het feit dat hij misschien de verkoop van zijn horecabedrijf terug kan draaien als zijn verzoek om voorlopige voorziening zou worden toegewezen. Dit is echter een zodanig onzekere toekomstige gebeurtenis dat de voorzieningenrechter ook daarin geen spoedeisend belang ziet. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2021 door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1036
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], te [vestigingsplaats], verzoeker(gemachtigde: mr. D.Y. Li),
en
de burgemeester van de gemeente Veenendaal, verweerder(gemachtigden: mr. M.R. Groenewoud en J. Kaijen).
Procesverloop
In het besluit van 23 februari 2021 heeft verweerder de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in dit geval geen sprake.
- Verweerder heeft de voorzieningenrechter laten weten dat verzoeker sinds 1 maart 2021 geen huurder meer is van het pand waarin het horecabedrijf is gevestigd en dat hij op 8 maart 2021 het horecabedrijf heeft verkocht. De koper heeft zich als eigenaar geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en een exploitatievergunning aangevraagd bij verweerder. Verzoeker heeft de juistheid van deze informatie bevestigd. Gelet hierop heeft verzoeker geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.
- Verzoeker voert aan dat zijn spoedeisend belang nog is gelegen in het feit dat hij misschien de verkoop van zijn horecabedrijf terug kan draaien als zijn verzoek om voorlopige voorziening zou worden toegewezen. Dit is echter een zodanig onzekere toekomstige gebeurtenis dat de voorzieningenrechter ook daarin geen spoedeisend belang ziet. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2021 door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.