Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Midden-Nederland, 21 februari 2020

ECLI:NL:RBMNE:2020:5791Zaaknummer C/16/493557 / FO RK 19-1824

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21 februari 2020
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
C/16/493557 / FO RK 19-1824
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag van de vader op verzoek van de moeder. Geen verweer. Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht

3 Beslissing

De kinderrechter:

3.1.

bepaalt dat het gezag van de vader wordt beëindigd en dat de moeder voortaan alleen het gezag zal uitoefenen over:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats].

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Elferink (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Kleijn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.
Hoger beroep Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Verloop van de procedure
  2. 2 Beoordeling
  3. 3 Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/493557 / FO RK 19-1824

Beschikking van 21 februari 2020

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. J. Kaljee,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vader.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland,

gevestigd te [.],

hierna te noemen de GI.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De moeder heeft op 11 december 2019 een schriftelijk verzoek aan deze rechtbank gedaan.

1.2.

Op 6 februari 2020 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gehouden. Hierbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;
  • mevrouw [A] namens de GI;
  • mevrouw [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De vader is op de juiste manier opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Desondanks is hij niet verschenen.

2 Beoordeling

Waar gaat het over?

2.1.

De ouders hebben een relatie gehad. Zij hebben samen een minderjarige zoon:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats].

2.2.

De vader heeft [voornaam van minderjarige] erkend. De ouders hebben samen het gezag over [voornaam van minderjarige]. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [voornaam van minderjarige] nemen. De kinderrechter heeft [voornaam van minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 20 maart 2020.

2.3.

De moeder vraagt de rechtbank het gezamenlijk gezag over [voornaam van minderjarige] te beëindigen en haar voortaan alleen met het gezag over [voornaam van minderjarige] te belasten. De GI ondersteunt het verzoek van de moeder. De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beslissing

2.4.

De kinderrechter zal het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat de moeder voortaan alleen is belast met het gezag over [voornaam van minderjarige]. De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom.

2.5.

Het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen, ook als zij geen relatie meer hebben. Desondanks vindt de rechtbank het in dit geval in het belang van [voornaam van minderjarige] dat de moeder voortaan alleen het gezag over hem gaat uitoefenen.[_8990c373-60cb-44ac-bc07-b36611b3d307]

2.6.

Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de vader nauwelijks tot geen contact heeft met [voornaam van minderjarige]. Dit maakt het lastig voor de vader om belangrijke beslissingen in het leven van zijn zoon te nemen. Hij weet hierdoor namelijk niet wat er in het leven van zijn zoon speelt. Daarnaast is gebleken dat de ouders onderling niet communiceren en dat hier geen wijziging in is te verwachten voor de toekomst. Tijdens de mondelinge behandeling is door de moeder en haar advocaat duidelijk gemaakt dat het niet in het belang van de moeder is om contact te onderhouden met de vader. De vader bevindt zich namelijk in een milieu dat een slechte invloed heeft op de moeder. Het risico hiervan is dat de moeder hierdoor terugvalt in oude gewoontes. Dit kan tot problemen leiden in het leven van [voornaam van minderjarige], aangezien de moeder zijn enige verzorger is. Het contact tussen de moeder en de vader is daardoor niet in het belang van [voornaam van minderjarige]. Daarbij heeft [voornaam van minderjarige] last van eigen problematiek. Deze problematiek is deels kind eigen, maar waarschijnlijk ook deels voortgekomen uit zijn lastige jeugd. Hierdoor vindt de kinderrechter het extra belangrijk dat de beslissingen over het leven van [voornaam van minderjarige] snel en effectief genomen kunnen worden. Zonder directe communicatie tussen de ouders is dit niet mogelijk.

3 Beslissing

De kinderrechter:

3.1.

bepaalt dat het gezag van de vader wordt beëindigd en dat de moeder voortaan alleen het gezag zal uitoefenen over:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats].

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Elferink (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Kleijn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.
Hoger beroep Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.