Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 12 december 2019

ECLI:NL:RBMNE:2019:6066Zaaknummer UTR - 19 _ 1341

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12 december 2019
Publicatiedatum
7 januari 2020
Zaaknummer
UTR - 19 _ 1341
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Beroep niet-ontvankelijk, omdat eisers geen procesbelang hebben. De autospuiterij is uit het pand vertrokken. Er is geen reden om aan te nemen dat de autospuiterij op korte termijn zal terugkomen. Het pand is in gebruik als kringloopwinkel. Ook als de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, kan dat niet meer leiden tot handhavend optreden tegen de autospuiterij. Eisers hebben dus geen actueel en reëel belang bij hun beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het is de taak van de bestuursrechter om een geschil te beslechten. Het is dan ook vaste rechtspraak dat de bestuursrechter alleen gehouden is om een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan inhoudelijk te beoordelen, als de indiener van het beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft. Eisers moeten met hun beroep het doel dat zij met hun verzoek nastreefden – namelijk dat het college handhavend zou optreden tegen de autospuiterij – kunnen bereiken. Als dat belang is vervallen, doet de bestuursrechter geen uitspraak alleen maar vanwege de principiële betekenis daarvan.

3. Eisers hebben op de zitting verklaard dat zij er met hun beroep niet op uit zijn dat het college alsnog handhavend optreedt. De rechtbank stelt ook vast dat dit niet meer kan, omdat de autospuiterij uit het pand is vertrokken en er op dit moment dus geen sprake is van een overtreding. Op de zitting is vast komen te staan dat het pand nu in gebruik is als kringloopwinkel. Er is geen reden om aan te nemen dat de autospuiterij op korte termijn weer terugkomt. Dit betekent dat het doel dat eisers met de procedure nastreefden niet meer kan worden bereikt. Ook als de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, kan dat niet meer leiden tot handhavend optreden tegen de autospuiterij.

4. Eisers hebben geen procesbelang. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Op de zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep als zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Dit kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en

mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 12 december 2019 in de zaak tussen
  2. [eiser/eiseres 1] en [eiser/eiseres 2] , te [woonplaats] , eisers
  3. Inleiding
  4. Beslissing
  5. Overwegingen
  6. Rechtsmiddel

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1341

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

12 december 2019 in de zaak tussen

[eiser/eiseres 1] en [eiser/eiseres 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. T. Pothast),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (het college), verweerder

(gemachtigde: R. Snijder).

Inleiding

Eisers hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de autospuiterij op het perceel [adres] in [vestigingsplaats] (de autospuiterij), omdat zij hiervan overlast ondervonden in de vorm van geur en geluid. Met het besluit van 24 juli 2018 heeft het college dit verzoek afgewezen.

Eiseres hebben bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. In het besluit van 20 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 december 2019. Eisers waren hierbij aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook de gemachtigde van het college was aanwezig.

De rechtbank heeft na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het is de taak van de bestuursrechter om een geschil te beslechten. Het is dan ook vaste rechtspraak dat de bestuursrechter alleen gehouden is om een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan inhoudelijk te beoordelen, als de indiener van het beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft. Eisers moeten met hun beroep het doel dat zij met hun verzoek nastreefden – namelijk dat het college handhavend zou optreden tegen de autospuiterij – kunnen bereiken. Als dat belang is vervallen, doet de bestuursrechter geen uitspraak alleen maar vanwege de principiële betekenis daarvan.

3. Eisers hebben op de zitting verklaard dat zij er met hun beroep niet op uit zijn dat het college alsnog handhavend optreedt. De rechtbank stelt ook vast dat dit niet meer kan, omdat de autospuiterij uit het pand is vertrokken en er op dit moment dus geen sprake is van een overtreding. Op de zitting is vast komen te staan dat het pand nu in gebruik is als kringloopwinkel. Er is geen reden om aan te nemen dat de autospuiterij op korte termijn weer terugkomt. Dit betekent dat het doel dat eisers met de procedure nastreefden niet meer kan worden bereikt. Ook als de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, kan dat niet meer leiden tot handhavend optreden tegen de autospuiterij.

4. Eisers hebben geen procesbelang. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Op de zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep als zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Dit kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en

mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.