Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Midden-Nederland, 26 juli 2019

ECLI:NL:RBMNE:2019:3500Zaaknummer UTR 19/577

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26 juli 2019
Publicatiedatum
16 april 2021
Zaaknummer
UTR 19/577
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

MU. Te laat bezwaar ingediend tegen het besluit om de ZW-uitkering te beeindigen. De termijn hiervoor was twee weken. Eiser heeft hiervoor in bezwaar en ook in beroep geen reden gegeven. Terecht n-o verklaard in bezwaar. Beroep ongegrond. Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser voert aan dat hij binnen zes weken en daarmee tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het gaat volgens hem namelijk niet om een medische herkeuring op initiatief van het UWV, waarvoor volgens verweerder een kortere bezwaartermijn geldt, want hij heeft zich zelf bij het UWV gemeld.

3.1

De rechtbank is - met verweerder - van oordeel dat het bezwaar zich richt tegen het wel of niet voortbestaan van eisers ongeschiktheid om te werken vanaf 26 juni 2018. In dat geval geldt, anders dan in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is vermeld, een bezwaartermijn van twee weken. Deze kortere termijn is vastgelegd in de artikelen 75j en 75k van de ZW. Dat heeft verweerder ook in het primaire besluit I vermeld. Eiser had er dus van op de hoogte kunnen zijn dat hij binnen twee weken bezwaar had moeten indienen. Dat de termijn voor het instellen van bezwaar tegen het primaire besluit II wel zes weken bedroeg, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het bezwaar richt zich namelijk niet tegen de inhoud van dit besluit.

3.2

Eiser heeft niet gereageerd op de brief van verweerder van 14 december 2018 waarin is gevraagd waarom hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Ook heeft hij dit niet in de gronden van het beroepschrift vermeld en is hij niet op de zitting van de rechtbank verschenen waar hij dit nog had kunnen uitleggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , te [woonplaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen
  5. Rechtsmiddel

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/577

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: R. van den Brink).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser vanaf 26 juni 2018 weer geschikt geacht voor zijn eigen werk.

Bij besluit van 30 oktober 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de betaling van zijn Ziektewetuitkering (ZW-uitkering) wordt doorgezet in de periode van 26 maart 2018 tot 26 juni 2018.

Bij besluit van 15 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II opgevat als een bezwaar dat gericht is tegen het primaire besluit I en dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet binnen twee weken na de bekendmaking op 29 oktober 2018 is ontvangen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2019. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser voert aan dat hij binnen zes weken en daarmee tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het gaat volgens hem namelijk niet om een medische herkeuring op initiatief van het UWV, waarvoor volgens verweerder een kortere bezwaartermijn geldt, want hij heeft zich zelf bij het UWV gemeld.

3.1

De rechtbank is - met verweerder - van oordeel dat het bezwaar zich richt tegen het wel of niet voortbestaan van eisers ongeschiktheid om te werken vanaf 26 juni 2018. In dat geval geldt, anders dan in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is vermeld, een bezwaartermijn van twee weken. Deze kortere termijn is vastgelegd in de artikelen 75j en 75k van de ZW. Dat heeft verweerder ook in het primaire besluit I vermeld. Eiser had er dus van op de hoogte kunnen zijn dat hij binnen twee weken bezwaar had moeten indienen. Dat de termijn voor het instellen van bezwaar tegen het primaire besluit II wel zes weken bedroeg, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het bezwaar richt zich namelijk niet tegen de inhoud van dit besluit.

3.2

Eiser heeft niet gereageerd op de brief van verweerder van 14 december 2018 waarin is gevraagd waarom hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Ook heeft hij dit niet in de gronden van het beroepschrift vermeld en is hij niet op de zitting van de rechtbank verschenen waar hij dit nog had kunnen uitleggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.