Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Limburg, 16 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:9489Zaaknummer 12180060 \ CV EXPL 26-1960
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Publicatiedatum
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- 12180060 \ CV EXPL 26-1960
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vorderingen afgewezen. Betalingsverplichting gedaagde is niet komen vast te staan omdat eiser onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat partijen hebben afgesproken.
5 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12180060 \ CV EXPL 26-1960
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1], gemeente Súdwest-Fryslân,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2], gemeente Eijsden-Margraten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 27 maart 2026 met producties 1 tot en met 5;- de brief van [gedaagde] met producties 1 en 2, die bij de rechtbank is binnengekomen op 15 april 2026 en die wordt aangemerkt als conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek met producties 6 tot en met 9;- de brief van [gedaagde] die bij de rechtbank is binnengekomen op 13 juli 2026 en die wordt aangemerkt als conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiseres] aan [gedaagde] een auto-onderdeel heeft geleverd tegen betaling van € 100,00 inclusief btw en verzendkosten. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing.
Op 23 augustus 2025 heeft [gedaagde] de factuur met [factuurnummer 1] ten bedrage van € 100,00 betaald.
3 Het geschil
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 128,81, vermeerderd met handelsrente over € 85,00 en kosten. Het bedrag van € 128,81 bestaat uit € 85,00 aan hoofdsom, € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 3,81 aan rente.
[eiseres] legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat op 27 augustus 2025 tussen haar en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan zij aan [gedaagde] een auto-onderdeel heeft verkocht en geleverd. [eiseres] heeft conform de overeenkomst geleverd waarna zij de factuur met [factuurnummer 2] aan [gedaagde] heeft verzonden. De factuur is tot op heden niet betaald zodat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. [eiseres] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe wordt als volgt overwogen.
[eiseres] roept het rechtsgevolg in van de afspraken die partijen zouden hebben gemaakt, namelijk dat [gedaagde] de op hem rustende betalingsverplichting moet nakomen. Dit betekent dat het op de weg van [eiseres] ligt om voldoende onderbouwd feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan blijken dat partijen dat [gedaagde] een tweede onderdeel geleverd zou krijgen ofwel tegen betaling van € 85,00 ofwel dat [gedaagde] het oorspronkelijk geleverde onderdeel zou terugsturen waarna € 85,00 door [eiseres] wordt gecrediteerd, en dat heeft zij niet gedaan. [gedaagde] heeft namelijk voldoende gemotiveerd betwist dat partijen dat hebben afgesproken en [eiseres] heeft geen onderbouwing verstrekt waar dat uit kan blijken, zoals bijvoorbeeld een schriftelijke melding van [gedaagde] die op grond van artikel 9.3 van haar algemene voorwaarden nodig is bij verkeerd geleverde producten. Wel heeft [eiseres] het DHL-retouretiket overgelegd die zij aan [gedaagde] zou hebben gestuurd, maar daaruit kunnen de gestelde afspraken niet worden afgeleid. Omdat [eiseres] haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd, wordt geen bewijsopdracht gegeven.
Uit rov. 4.2 volgt dat niet is komen vast te staan dat op [gedaagde] een betalingsverplichting rust voor het vervangende onderdeel dat zou zijn geleverd. Dit betekent dat de door [eiseres] gevorderde hoofdsom zal worden afgewezen. Ook zullen de daarmee samenhangende buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente worden afgewezen.
Dat [gedaagde] volgens [eiseres] buiten rechte heeft beweerd het onderdeel via PostNL retour te hebben gestuurd, maakt geen verschil. In rechte heeft [gedaagde] deze stelling namelijk niet ingenomen waardoor de kantonrechter dit niet in de beoordeling kan betrekken.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil.
5 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.