Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Limburg, 3 juni 2026

ECLI:NL:RBLIM:2026:6306Zaaknummer ROE 25/196 en ROE 25/2067

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
ROE 25/196 en ROE 25/2067
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Roermond
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het college heft de vergunning mogen verlenen voor het verbreden van een bestaande uitweg en voor het verharden van de voortuin. De aanvraag omgevingsvergunning voor het verbreden van de bestaande uitweg is niet in strijd met de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening. Bij de omgevingsvergunning voor het verharden van de voortuin (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) heeft het college te kennen gegeven een beoordeling te hebben gemaakt met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beide beroepen ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

griffierRechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 25/196 en 25/2067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen

(gemachtigden: mr. S.F.A. Garritsen en mr. K.A.J. Ubachs).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam vergunninghouder 1] en [naam vergunninghouder 2] (vergunninghouders).

Samenvatting

1. Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats]. De buren van eiser (vergunninghouders) hebben een vergunning aangevraagd voor het verbreden van een bestaande uitweg (verlagen en verbreden van de stoep)[_3879f274-c09f-46bb-bd19-58a1e9a2cef7] en voor het verharden van de voortuin om daar te kunnen parkeren[_fb7e3630-548e-44b8-81db-ea7e59aa0204]. Het college heeft beide vergunningen verleend. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert hiertegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college beide vergunningen heeft mogen verlenen. Eiser krijgt geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 22 juli 2024 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbreden van een bestaande uitweg. Het college heeft deze vergunning met het besluit van 27 augustus 2024 verleend. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 9 december 2024 (het bestreden besluit over het verbreden bestaande uitweg) bij die verlening gebleven.

2.1.

Op 2 januari 2025 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verharden van de voortuin. Het college heeft deze vergunning met het besluit van 3 april 2025 verleend. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 31 juli 2025 (het bestreden besluit over het verharden van de voortuin) bij die verlening gebleven.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten.

2.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 2 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld, samen met de zaak ROE 25/2912 (over een afwijzing van een handhavingsverzoek). Aan deze zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college en vergunninghouders. Eiser heeft zich op de dag van de zitting afgemeld.

2.4.

De zaken waarover deze uitspraak gaat zijn gevoegd. In de andere zaak (ROE 25/2912), wordt separaat van onderhavige uitspraak, uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Omgevingsvergunning verbreden uitweg (ROE 25/196)

Beroepsgronden eiser

3. Eiser voert aan dat zijn ingediende zienswijze niet is betrokken bij de besluitvorming over de verlening van de vergunning, en ook niet bij de beslissing op bezwaar. Volgens eiser is daarom het besluit van 27 augustus 2024 onzorgvuldig tot stand gekomen en kleeft er ook aan de beslissing op bezwaar een gebrek. Daarnaast stelt eiser dat het college de vergunning had moeten weigeren in het belang van de verkeersveiligheid. Hij wijst erop dat de uitweg door de verbreding van de weg vrijwel tegenover een andere uitweg komt te liggen. Volgens eiser leidt dit tot onveilige situaties voor het verkeer dat de straat inrijdt. Verder betwist eiser het standpunt dat de verkeersintensiteit in de straat laag is. Volgens hem wordt de straat gebruikt als sluiproute, waardoor juist sprake is van een hoge verkeersintensiteit.

Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?

4. De rechtbank overweegt dat zij uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te beoordelen. Voor zover sprake zou zijn van een gebrek in de totstandkoming van het besluit van 27 augustus 2024, is dat gebrek naar het oordeel van de rechtbank hersteld in de bezwaarfase. Uit het procesdossier blijkt dat het college in de beslissing op bezwaar alsnog is ingegaan op de gronden die eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Daarnaast heeft eiser in de bezwaarfase zijn standpunten naar voren kunnen brengen en heeft een volledige heroverweging van het besluit plaatsgevonden. Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat dit eventuele gebrek daarmee niet in bezwaar is hersteld, slaagt deze beroepsgrond niet.

Doelmatig en veilig gebruik van de weg

5. In artikel 22.8 van de Omgevingswet is bepaald dat wanneer volgens een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, dit gezien moet worden als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. De beoordelingsregels voor vergunningverlening zijn vastgelegd in de Algemene plaatselijke verordening.

5.1.

In artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Heerlen 2021 (APV) is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen. In artikel 2:12, tweede lid, van de APV staat dat een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan, ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving of ter bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

5.2.

In de Beleidsregels Inritvergunningen[_7f2c5ebf-ae27-45a2-8b48-1e171b3a823d] (de Beleidsregels) is per criterium uit de APV (in de Beleidsregels weergegeven als respectievelijk ‘bruikbaarheid van de weg’, ‘veilig en doelmatig gebruik van de weg’, ‘bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving’ en ‘bescherming van de groenvoorzieningen van de gemeente’) het beleid weergegeven.

6. Over het doelmatig en veilig gebruik van de weg overweegt de rechtbank als volgt. Het gaat hierbij blijkens de Beleidsregels om de vraag of sprake is van een drukke of onoverzichtelijke weg en over de situering van de uitweg. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het doelmatig en veilig gebruik van de weg niet wordt belemmerd. Uit het advies van het Bouwplannenteam van de gemeente Heerlen (B-team) van 1 april 2025 volgt dat het zicht bij het in- en uitrijden van de uitweg op het overige verkeer voldoende is. Mede gelet op het advies en op de situatie ter plaatse, zoals die blijkt uit het procesdossier, is niet gebleken dat vanuit de uitweg onvoldoende zicht bestaat op de weg, dan wel vanaf de weg op de uitweg. Verder heeft het college toegelicht dat, gelet op de lage verkeersintensiteit en de relatief geringe rijsnelheden in de in de straat, niet wordt verwacht dat de verbreding nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Ook blijft de doorstroming van het verkeer onveranderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat sprake is van een hoge verkeersintensiteit in de straat van eiser is daarvoor onvoldoende. Ook de stelling dat de uitweg door de verbreding tegenover een andere uitweg komt te liggen, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom dit tot een verkeersonveilige situatie zou leiden. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat het B-team heeft aangegeven dat het zicht bij het in- en uitrijden van de uitweg op het verkeer voldoende is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

7. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college de vergunning voor het verbreden van de uitweg heeft mogen verlenen.

Omgevingsvergunning verharden voortuin (ROE 25/2067)

Beroepsgronden eiser

8. Eiser voert aan dat uit de Beleidsregels Uitwegen 2024 volgt dat een uitweg maximaal 5,5 meter breed mag zijn. Volgens hem is de uitweg na de verbreding breder dan 5,5 meter, zodat het college de vergunning niet had mogen verlenen. Daarnaast stelt eiser dat de verharding van de voortuin ook op een andere locatie had kunnen worden gerealiseerd, namelijk aan de andere zijde van de woning. Volgens eiser is die locatie geschikter omdat hij er dan minder overlast van ervaart. Verder voert eiser aan dat de auto door deze verharding dichterbij de erfgrens komt te staan, waardoor inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy. Tot slot betoogt eiser dat het college de aanvraag heeft beoordeeld op basis van onjuiste informatie. Volgens eiser hebben vergunninghouders voorafgaand aan de aanvraag al veel groen verwijderd op de plek waar de verharding van de voortuin zou komen. Daarmee is volgens hem ten onrechte de indruk gewekt dat voor de aanleg van de verharding nog maar weinig groen hoefde te worden verwijderd. Eiser stelt dat het college de vergunning daarom niet had mogen verlenen.

Toetsingskader

9. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt onder meer een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.

10. Op het perceel waar de verharding heeft plaatsgevonden, gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan ‘Heerlen Zuid’ (bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Heerlen. Op het perceel geldt – voor zover hier van belang- de bestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en erkers.[_e9893f51-b14f-4b90-a8fa-ec6e35c922fe] Ten behoeve van deze bestemming zijn toegestaan – voor zover hier van belang – verhardingen.[_8680ddab-d375-4a1d-a6b5-54ec2ea73a0e]

11. Ook kent de gemeente Heerlen het ‘Facetbestemmingsplan stedenbouwkundige bepalingen Heerlen’ (Facetbestemmingsplan). Dit facetbestemmingsplan bevat algemene regels ter aanvulling op de regelingen in de bestemmingsplannen, die nu gezamenlijk onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. In artikel 4.10.4 van het Facetbestemmingsplan staat dat het bevoegd gezag via een omgevingsvergunning parkeren binnen de bestemming tuin kan toestaan indien wordt voldaan aan de Beleidsegels, het parkeren niet leidt tot stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren en het parkeren niet op een andere wijze kan worden gerealiseerd.

12. Partijen verschillen niet van mening over de vraag of voor het verharden van de voortuin ten behoeve van parkeren een vergunning is vereist, ook al bevat het bestemmingsplan geen expliciet verbod op het verharden van de voortuin voor dat doel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat parkeren niet kan worden aangemerkt als een bij de bestemming ‘Tuin’ behorende voorziening, en dat dus een vergunning nodig is voor het afwijken van het bestemmingsplan. Nu partijen over dit punt geen geschil hebben, zal de rechtbank van dit uitgangspunt uitgaan.

13. Dat betekent dat alleen een omgevingsvergunning voor de aanvraag van eiser kan worden verleend, als het college bereid is een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verlenen, waarmee in afwijking van het geldende omgevingsplan het verharden van de voortuin toch wordt toegestaan.

14. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

15. Het bestuursorgaan komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Heeft het college de vergunning voor het verharden van de voortuin mogen verlenen?

16. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het college de aanvraag heeft beoordeeld op basis van onjuiste informatie. De rechtbank overweegt dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Dat vergunninghouders voorafgaand aan de aanvraag al groen hebben verwijderd, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat het gaat om grond die aan vergunninghouders toebehoort en dat niet is gebleken dat het verwijderen van dat groen op zichzelf invloed heeft gehad op de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank overweegt verder dat de regelgeving die eiser aanhaalt over de maximale breedte van de uitweg geen betrekking heeft op het verharden van de voortuin, maar uitsluitend ziet op het verbreden van de uitweg. Eiser voert dit echter niet aan tegen die vergunning, maar alleen tegen de vergunning voor de verharding, terwijl die regelgeving niet van toepassing is op de verleende vergunning voor het verharden. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor het verbreden van de uitweg op 27 augustus 2024 een vergunning is verleend. In die vergunning is bepaald dat de uitweg tot maximaal 5,5 meter mag worden verbreed. Voor zover de uitweg feitelijk verder wordt verbreed dan is vergund, betreft dat een kwestie van handhaving.

Ook de beroepsgrond dat het parkeren op een andere locatie kan worden gerealiseerd slaagt niet. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de voorwaarde - dat parkeren niet anders gerealiseerd kan worden - zo moet worden begrepen dat, indien parkeren op grond van het bestemmingsplan op een andere locatie zonder vergunning is toegestaan, het parkeren en dus ook de verharding op die locatie moet plaatsvinden. De rechtbank volgt deze toelichting. Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat parkeren mogelijk is aan de andere zijde van de woning, waar de bestemming ‘wonen’ geldt, maar het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat dit niet tot een andere uitkomst leidt. Ook in dit geval zou de auto namelijk over gronden met bestemming ‘tuin’ moeten rijden, zodat ook dan een deel van de tuin zou moeten worden verhard om het parkeren mogelijk te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het parkeren niet anders gerealiseerd kan worden.De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat de vergunning had moeten worden geweigerd vanwege aantasting van zijn privacy. Uit het bestreden besluit volgt dat het college de belangen van eiser uitdrukkelijk in de beoordeling heeft betrokken. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de privacy van eiser niet wordt geschonden omdat geen directe inkijk in de tuin van eiser mogelijk is. Er is namelijk een dichte begroeiing van groen aanwezig. Hiermee heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, te kennen gegeven een beoordeling te hebben gemaakt met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat ten aanzien van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit daarvan sprake is. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie

17. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het verharden van de voortuin ten behoeve van het parkeren heeft mogen verlenen.

Conclusie en gevolgen

18. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het college heeft de vergunning voor het verbreden van de uitweg en de vergunning voor het verharden van de voortuin mogen verlenen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

griffierRechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.