Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Limburg, 19 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11430Zaaknummer ROE 25/2254
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 19 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROE 25/2254
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Roermond
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Woningsluiting voor de duur van 12 maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. Einduitspraak na tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een sluiting van 12 maanden in dit geval noodzakelijk is. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat de woning voor 4 maanden mocht worden gesloten.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025;
- herroept het besluit van 28 juli 2022 voor zover het de sluitingsduur van twaalf maanden betreft;
- bepaalt dat de woning voor vier maanden mocht worden gesloten;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van de immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, mr. N.J.J. DerksVoncken en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.
De voorzitter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 25/2254
Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling),
en
de burgemeester van de gemeente Heerlen
(gemachtigde: mr. J.P.H.M. Quaedflieg).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de sluiting van zijn woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Met de tussenuitspraak van 13 juli 2026 heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen.
De burgemeester heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering gegeven. Eiser heeft een zienswijze ingediend.
De rechtbank heeft op 17 september 2026 het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze einduitspraak of de burgemeester het gebrek in de beslissing op bezwaar heeft hersteld.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
Wat staat er in de tussenuitspraak?
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester bevoegd was tot oplegging van een last onder bestuursdwang, dat er een zekere noodzaak bestond om handhavend op te treden en dat de burgemeester een sluiting ook evenwichtig heeft mogen achten. Verder komt de rechtbank in de tussenuitspraak tot de conclusie dat de noodzakelijkheid voor de duur van de sluiting onvoldoende is gemotiveerd en dat daarover een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling ontbreekt. De rechtbank is onvoldoende gebleken waarom in dit concrete geval een sluiting van twaalf maanden noodzakelijk is en waarom de doelen van de sluiting niet ook bij een kortere sluiting kunnen worden behaald.
Heeft de burgemeester het gebrek hersteld?
4. In zijn reactie van 22 juli 2026 heeft de burgemeester aangegeven het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat de noodzaak van de duur onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. De woning is evident bekend binnen het professionele criminele circuit. Er is een uitzonderlijke grote hoeveelheid grondstof aangetroffen waarmee meer dan 120 kilogram amfetamine had kunnen worden geproduceerd. Ook is sprake van een concrete aanloop van drugscriminelen naar de woning. Eiser verkeert in een afhankelijkheidsrelatie tot georganiseerde criminaliteit vanwege zijn schuldenpositie. Hij heeft verklaard de grondstof te hebben opgeslagen vanwege openstaande schulden. Er is daarom een aanzienlijke kans dat de woning, na een korte sluitingsduur, opnieuw beschikbaar zou worden gesteld aan de georganiseerde drugscriminaliteit. Verder ligt de buurt in een kwetsbare wijk, wat het noodzakelijk maakt om krachtig op te treden. Het uitblijven van een adequate maatregel zou het risico op verdere verloedering en aantasting van de openbare orde en veiligheid vergroten. Het geven van een krachtig en duidelijk signaal is ook noodzakelijk, niet alleen om de feitelijke relatie tussen de woning en de georganiseerde drugscriminaliteit duurzaam te doorbreken, maar ook om het vertrouwen van omwonenden in het optreden van het openbaar bestuur te herstellen en gevoelens van onrust en onveiligheid weg te nemen. Tenslotte is de sluitingsduur ook uitdrukkelijk gebaseerd op het beleid. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens de burgemeester, in samenhang bezien, een zwaarwegende noodzaak om de woning gedurende een langere periode te sluiten.
5. In de zienswijze heeft eiser naar voren gebracht dat hij de reactie van de burgemeester niet ziet als het gebruikmaken van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als deze reactie al zo moet worden opgevat, dan heeft de burgemeester nog steeds niet gemotiveerd waarom een sluiting van twaalf maanden noodzakelijk is.
6. Hoewel uit de reactie van de burgemeester duidelijk volgt dat hij het niet eens is met de tussenuitspraak, ziet de rechtbank de reactie van de burgemeester toch als een nader aangedragen motivering. In de reactie heeft de burgemeester namelijk ook (opnieuw) toegelicht waarom hij de sluiting voor de duur van twaalf maanden noodzakelijk vindt. De rechtbank is van oordeel, zoals ook in de tussenuitspraak al is overwogen, dat in het geval van een sluiting de noodzaak van een sluiting gedurende de gehele duur van de sluiting moet blijven bestaan. De door de burgemeester in zijn reactie aangedragen omstandigheden heeft de rechtbank al meegewogen in haar tussenuitspraak onder rechtsoverweging 7 tot en met 7.6. Zij ziet geen aanleiding om daarvan terug te komen. Hoewel de rechtbank het standpunt deelt dat sprake is van een ernstig geval, heeft de burgemeester nog steeds onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting van twaalf maanden in dit geval noodzakelijk is. Aan de omstandigheden van dit geval kan niet een zodanig groot gewicht worden toegekend, dat dit een sluiting van twaalf maanden bij een eerste overtreding rechtvaardigt. Er zijn geen omstandigheden gebleken en evenmin attributen aangetroffen die wijzen op productie of handel ter plaatse. Ook is niet gebleken dat de drugshandelaren toegang hadden tot de woning om daar drugs te produceren, te verhandelen of te gebruiken. De woning vervulde weliswaar een rol als opslagruimte voor grondstoffen waarvan mag worden aangenomen dat deze bedoeld waren voor drugsproductie, maar nu geen sprake is van een professionele productie- en/of verkooplocatie, rechtvaardigt deze omstandigheid op zichzelf geen reden om tot sluiting voor de duur van twaalf maanden over te gaan. Ook de omstandigheid dat eiser in een schuldenpositie zat, rechtvaardigt een sluitingsduur van twaalf maanden niet. Bovendien is niet meer gebleken van enige overlast of loop naar de woning vanaf juni 2022 tot aan de beslissing op bezwaar (van 13 augustus 2025) en de effectuering van de sluiting (op 16 augustus 2022). Doordat eiser zich heeft gemeld bij de politie, heeft hij ervoor gezorgd dat de woning niet verder in het criminele circuit terechtkwam en is het gebleven bij de opslag van ruwe materialen. Verder benadrukt de rechtbank dat een bestuursrechtelijke herstelsanctie niet is bedoeld om als afschrikking te dienen of (uitsluitend nog) om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt.[_46a4806b-a797-4940-af57-6ef35858994c] De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het besluit tot sluiting van de woning voor twaalf maanden onevenredig is in verhouding tot de met het sluitingsbesluit te dienen doelen. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om te bepalen dat de burgemeester de woning gelet op de omstandigheden van dit geval slechts heeft mogen sluiten voor vier maanden. Die termijn acht de rechtbank evenredig.
Redelijke termijn
7. Eiser heeft een verzoek gedaan om een schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.[_17c6b29e-d08f-4b7c-b29b-dff1eaa64d6a]
Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
Het bezwaarschrift is op 15 augustus 2022 ontvangen. Tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vier jaren verstreken. De zaak zelf geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De omstandigheid dat eiser (pas) op 11 augustus 2025 de burgemeester heeft gewezen op het ontbreken van een besluit, waarna de burgemeester relatief spoedig een beslissing op bezwaar heeft genomen, leidt er wel toe dat de rechtbank de periode die vergoed wordt zal halveren. De burgemeester draagt de verantwoordelijkheid om (tijdig) een beslissing op bezwaar te nemen, maar eiser had ervoor kunnen zorgen dat de beslissing op bezwaar eerder was genomen door eerder aan de bel te trekken. Gelet hierop gaat de rechtbank uit van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim één jaar. De rechtbank stelt de schadevergoeding daarom vast op een bedrag van € 1.500,-. Alleen de bezwaarprocedure heeft te lang geduurd. Dit heeft tot gevolg dat de burgemeester de vergoeding van € 1.500,- aan eiser moet betalen.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 28 juli 2022 te herroepen, voor zover de burgemeester heeft besloten tot sluiting van de woning voor meer dan vier maanden. Deze uitspraak zal in plaats treden van de beslissing op bezwaar.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt de burgemeester in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in bezwaar voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 666,-). In beroep voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het reageren op de herstelpoging van de burgemeester, allen met wegingsfactor 1, en 1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, met wegingsfactor 0,5, allen met een waarde per punt van € 934,‑). Het totale bedrag is dus € 4.134,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2025;
- herroept het besluit van 28 juli 2022 voor zover het de sluitingsduur van twaalf maanden betreft;
- bepaalt dat de woning voor vier maanden mocht worden gesloten;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van de immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, mr. N.J.J. DerksVoncken en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.
De voorzitter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen.
| griffier | voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5775, r.o. 10.3.1.
- Als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.