Uitspraak · Insolventierecht
Rechtbank Limburg, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11319Zaaknummer F.03/25/4
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- F.03/25/4
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing omzetting faillissement naar wsnp. Niet te goeder trouw.
3 De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van M.P.J. Huijs, de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
Team Toezicht / insolventies
insolventienummer: F.03/25/4
uitspraakdatum: 13 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker],
geboren [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],
[adres], [woonplaats]
1 Het verloop van de procedure
Verzoeker is op 7 januari 2025 in staat van faillissement gesteld. Hij heeft op 23 juli 2026 een verzoekschrift ingediend om het faillissement om te zetten in een wettelijke schuldsaneringsregeling.
Op 25 augustus 2026 heeft de curator, mr. T.J.A. Caron, aanvullende stukken alsmede zijn advies inzake het verzoek ingediend.
Verzoeker is gehoord ter zitting van 30 september 2026. Hierbij was tevens mr. Caron aanwezig.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 De beoordeling
De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet (‘Fw’). Op grond van lid 1 onder b Fw, is voor toewijzing noodzakelijk dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest.
Bij de beoordeling of aan die gedragsmaatstaf is voldaan dient de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening te houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de schulden, het tijdstip waarop deze zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan/onbetaald laten van de schulden, alsmede het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om zijn goede trouw aannemelijk te maken.
Overgelegd is een schuldenoverzicht met een relatief hoge schuldenlast, van bijna € 830.000. Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij denkt dat de schuldenlast vele malen lager is en wellicht niet meer dan € 400.000 à € 450.000 bedraagt. Wat daarvan ook zij, er is hoe dan ook sprake van een enorm hoge schuldenlast, die bovendien is ontstaan binnen de termijn van 3 jaar vóór de indiening van het verzoek. Een en ander zou een aanzienlijk langere WSNP-looptijd dan de gebruikelijke 18 maanden rechtvaardigen.
[verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van al deze schulden te goede trouw is geweest. In de eerste plaats heeft hij tijdens het faillissement, hoewel de curator er bij hem op aangedrongen heeft dat hij (fulltime) zou gaan werken, slechts een beperkt aantal uren gewerkt, waardoor hij in 1½ jaar maar € 1.474,36 heeft afgedragen aan de boedel. Hij stelt, overigens zonder nadere onderbouwing, dat hij wel veel heeft gesolliciteerd, bovendien op verschillende banen, en hij heeft ook aangevoerd dat hij tijdelijk, wegens zijn psychische gesteldheid, niet in staat was werkzaamheden naar behoren uit te voeren. Ter zitting bleek echter ook dat de opvang van zijn zoontje niet afdoende was geregeld en dat hij ook daardoor niet meer uren kon werken. In aanmerking nemende dat tijdens het faillissement de arbeidsmarkt voor werkzoekenden zeer gunstig was en dat [verzoeker] – zo heeft hij ook ter zitting bevestigd - verder gezond was, acht de rechtbank niet aannemelijk dat hij niet in staat was om, zoals ook in de WSNP wordt geëist, fulltime te werken. Een en ander roept niet alleen twijfels op of [verzoeker] gedurende de hele looptijd van de schuldsaneringsregeling kan voldoen aan de arbeidsverplichting, maar heeft ook geleid tot een zeer lage afdracht aan de faillissementsboedel.
Daarnaast is gebleken dat [verzoeker] het jaar voorafgaand aan het faillissement – dus nog binnen de 3-jaarstermijn van art. 288 lid 1 sub b Fw. - ten minste € 27.000 heeft vergokt en dus niet heeft aangewend om zijn schulden, weliswaar deels, af te lossen.
Het verzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
3 De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van M.P.J. Huijs, de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.