Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Limburg, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBLIM:2026:10825Zaaknummer 12218585 CV EXPL 26-2348

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
12218585 CV EXPL 26-2348
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Roermond
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht - Partijen zijn voor een zakelijke schuld een geldleenovereenkomst in privé overeengekomen. Voor de zakelijke schuld is er een crediteurenakkoord bereikt. Dit betekent dat er geen betalingsverbintenis meer bestaat, zowel zakelijk als privé.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 504,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Berends en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12218585 \ CV EXPL 26-2348

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats 1],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. R.A.J. van der Leeuw,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats 2],

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de B.V.] (hierna: de BV) heeft aan de [VOF] (hierna: de vof) vleeswaren geleverd. De vof moest voor de levering aan de BV nog een bedrag betalen van € 7.500,00.

2.2.

Voor zijn vof heeft [gedaagde], onder begeleiding van de gemeente, in 2016 met zijn schuldeisers een crediteurenakkoord bereikt. Een van de crediteuren die partij was bij dit crediteurenakkoord was de BV voor een totale schuld van € 10.200,00. De BV heeft via het crediteurenakkoord een bedrag van € 2.700,00 betaald gekregen tegen finale kwijting. De BV heeft de betaling van dit bedrag ontvangen.

2.3.

Voor een bedrag van € 7.500,00 zijn [eiser] en [gedaagde], beiden in privé, een geldleenovereenkomst overeengekomen. De schuld zou in termijnen door [gedaagde] aan [eiser] worden betaald. In totaal heeft [gedaagde] € 500,00 betaald aan [eiser]. De overige € 7.000,00 is onbetaald gebleven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.700,00 vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen op 30 maart 2016 een geldleenovereenkomst zijn overeengekomen. In deze overeenkomst staat dat [gedaagde] vanaf 1 april 2016 een bedrag gaat betalen van € 208,33 per maand tot het volledig bedrag van € 7.500, - is voldaan. Er is betaald door [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 500,00. [eiser] heeft diverse sommaties gestuurd naar [gedaagde]. Verdere betaling op grond van de geldleenovereenkomst is uitgebleven.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. De vof van [gedaagde] dreigde failliet te gaan. Met behulp van de gemeente heeft [gedaagde] met zijn schuldeisers een crediteurenakkoord bereikt. Een van de schuldeisers is de BV voor de schuld van € 10.200,00. De BV heeft na het bereiken van het crediteurenakkoord een betaling ontvangen van € 2.700,00. Het restant van € 7.500,00 viel hierdoor weg. [gedaagde] erkent dat partijen voor dit bedrag wel een geldleenovereenkomst zijn overeengekomen, maar hij geeft aan de overeenkomst onder druk te hebben afgesloten. [eiser] zou anders niet akkoord zou zijn gegaan met het crediteurenakkoord. [gedaagde] stelt zich nu op het standpunt dat [eiser] hem niet tot nakoming van de geldleenovereenkomst kan dwingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat vast dat de geldleenovereenkomst betrekking heeft op zakelijk geleverde en ontvangen vleeswaren van de BV van [eiser] aan de vof van [gedaagde] voor een bedrag van € 7.500,00. [eiser] heeft echter bij mondeling antwoord gesteld dat de vof een bedrag van € 2.700,00 aan de BV heeft betaald in het kader van een crediteurenakkoord. Dit om zo een regeling te treffen voor de openstaande schuld van de vof aan de BV van € 10.200,00. Nu het bestaan van dit crediteurenakkoord door [eiser] niet is betwist, gaat de kantonrechter uit van het bestaan en de geldigheid van dit crediteurenakkoord.

Crediteurenakkoord vs. geldleenovereenkomst

4.2.

Gelet op hetgeen partijen verdeeld houdt, moet de kantonrechter beoordelen hoe het crediteurenakkoord zich verhoudt tot de tussen partijen in privé gesloten overeenkomst. Een crediteurenakkoord is een akkoord waarbij een schuldenaar die in financiële nood verkeert aan zijn schuldeisers een voorstel doet om een schuld gedeeltelijk te voldoen tegen finale kwijting met als doel de onderneming te redden zodat deze niet failliet wordt verklaard. Algemeen bekend is dat bij een dergelijk akkoord alle concurrente schuldeisers in beginsel gelijk moeten worden behandeld. Dit betekent dat door de betaling van € 2.700,00 van de vof aan de BV, de BV aan de vof finale kwijting heeft verleend voor het restant van de schuld ter hoogte van € 7.500,00. Hiermee bestaat de schuld van de BV op de vof niet meer.

4.3.

De geldleenovereenkomst zoals partijen deze zijn overeengekomen betreft een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan [eiser] kennelijk heeft bedoeld te stellen, geen sprake is geweest van het daadwerkelijk aan [gedaagde] ter beschikking stellen van een bedrag van € 7.500,00. Uit de feiten en omstandigheden kan enkel worden opgemaakt dat het de bedoeling was van partijen om [eiser] alsnog het restant bedrag te verschaffen dat [gedaagde] met zijn vof verschuldigd was aan de BV. Het crediteurenakkoord heeft ervoor gezorgd dat de BV de vof heeft bevrijd van verdere betaling van de eerdere schuld van € 10.200,00 na betaling door de vof aan de BV van een bedrag van € 2.700,00. Na het crediteurenakkoord rusten op de vof geen betalingsverbintenissen meer, laat staan dat er op [gedaagde] nog een betalingsverbintenis jegens [eiser] zou kunnen bestaan. Nu verder noch gesteld noch gebleken is dat [eiser] [gedaagde] een bedrag van € 7.500,00 ter beschikking heeft gesteld, kan de vordering niet worden toegewezen.

[eiser] moet de proceskosten vergoeden

4.5.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde - nakosten€ €360,00 144,00(1 punt × € 360,00)
Totaal€504,00
4.6.

Als [eiser] niet binnen veertien dagen nadat [gedaagde] daar schriftelijk om heeft verzocht aan de veroordeling voldoet en [gedaagde] het vonnis daarna door een deurwaarder laat betekenen, moet [eiser] € 144,00 extra betalen (nakosten) plus de kosten van betekening.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 504,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Berends en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.