Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Limburg, 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:10815Zaaknummer ROE 23/1059
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROE 23/1059
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Roermond
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de onttrekking aan het openbaar verkeer van een voetpad. Het voetpad werd voordat het werd verwijderd, gebruikt om een homo-ontmoetingsplaats (hop) te bereiken. Eiseres is het niet eens met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad. Zij is een stichting die zich onder andere als doel heeft gesteld te streven naar het openhouden van hop’s. Volgens haar is de hop zonder voetpad niet (goed en veilig) te bereiken. Zij heeft tegen de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand daarvan heeft de rechtbank eerst beoordeeld of de minister de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend aannemelijk heeft gemaakt. Daarna heeft de rechtbank beoordeeld of de minister deze belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het negatieve gevolg dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop heeft. Tot slot is de rechtbank nog ingegaan op
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
| griffier rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/1059
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
Stichting Platform Keelbos uit Nuth , eiseres
en
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat [_67f41fb5-9ca5-4ce6-ab91-97ac338a1436]
(gemachtigde: mr. A. Divis-Stein).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de onttrekking aan het openbaar verkeer van een voetpad. Het voetpad werd voordat het werd verwijderd, gebruikt om een homo-ontmoetingsplaats (hop) te bereiken. Eiseres is het niet eens met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad. Zij is een stichting die zich onder andere als doel heeft gesteld te streven naar het openhouden van hop’s. Volgens haar is de hop zonder voetpad niet (goed en veilig) te bereiken. Zij heeft tegen de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand daarvan heeft de rechtbank eerst beoordeeld of de minister de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend aannemelijk heeft gemaakt. Daarna heeft de rechtbank beoordeeld of de minister deze belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het negatieve gevolg dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop heeft. Tot slot is de rechtbank nog ingegaan op een aantal beginselen van behoorlijk bestuur die de minister volgens eiseres zou hebben geschonden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat de minister deze belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het negatieve gevolg dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop heeft. De rechtbank oordeelt tot slot dat de minister niet in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur die de minister volgens eiseres zou hebben geschonden. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Haar beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het koninklijk besluit van 5 december 2022 heeft de Kroon het voetpad van en naar verzorgingsplaats De Witte Molen in de gemeente Groningen, gelegen langs de rijksweg A28 (de rijksweg) tussen de hectometerpaaltjes 193,2 km en 193,1 km, aan het openbaar verkeer onttrokken (het bestreden besluit). De zienswijze die eiseres tegen het voornemen om het voetpad aan het openbaar verkeer te onttrekken heeft ingediend, heeft de Kroon geen reden gegeven van het voornemen af te zien.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2025 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben [belanghebbende 1], [belanghebbende 2], [belanghebbende 3] en
[belanghebbende 4] namens eiseres deelgenomen. Voor de minister waren de gemachtigde van de minister en [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] op de zitting aanwezig.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting niet gesloten om de minister nog de gelegenheid te geven voor een reactie. Op de reactie van de minister heeft eiseres nog gereageerd. Het onderzoek is vervolgens gesloten nadat partijen de gelegenheid hebben gehad om aan te geven of zij nog op een zitting willen worden gehoord. Na sluiting van het onderzoek is gebleken dat een reactie van eiseres die zij vóór de sluiting van het onderzoek aan de rechtbank heeft gestuurd niet aan de minister is doorgestuurd. De rechtbank heeft dat toen alsnog gedaan. Omdat de minister nog wilde reageren heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen hebben vervolgens nog verschillende keren op elkaars stukken gereageerd. De rechtbank heeft ook nog een nadere zitting gehouden omdat één van de partijen gehoord wilde worden.
De rechtbank heeft de nadere zitting op 3 juni 2026 gehouden. Aan deze zitting hebben [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] namens eiseres deelgenomen. Voor de minister waren de gemachtigde van de minister en [belanghebbende 6] op de zitting aanwezig. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten waar de rechtbank van uitgaat
3. Het voetpad waar het bestreden besluit over gaat is in het kader van de uitvoering van het project ‘fietssnelweg tussen Assen en Groningen’ van de provincie Groningen op verzoek van de minister verwijderd. Het voetpad vormde een verbinding tussen verzorgingsplaats De Witte Molen en het lokale fietspad dat plaats moest maken voor de fietssnelweg. Het voetpad lag voor een deel op grond die in eigendom is van het Rijk. Dat deel van het voetpad werd door het Rijk onderhouden. Het voetpad was deels een betegeld pad dat door een grasveldje en gelijkvloers over een slootje liep. De tegels zijn tijdens de uitvoering van het project verwijderd en het voetpad is niet langer onderhouden.
In de groenstrook tussen het slootje en het fietspad staan aan weerskanten van het voetpad bosjes. De bosjes staan bekend als hop en zijn bereikbaar via het fietspad.
De Kroon heeft het bestreden besluit genomen en dus het voetpad aan het openbaar verkeer onttrokken ter legalisering van de verwijdering van het voetpad.
Eiseres is een stichting die zich ten doel heeft gesteld te streven naar het openhouden van hop’s.
Het toetsingskader
4. De Kroon heeft de bevoegdheid om een weg (waaronder ook een voetpad valt[_0e2cca9c-7eac-4d18-8593-fcfcfb116cf2]) aan het openbaar verkeer te onttrekken.[_e1d30b9e-2a0a-41c9-acdc-ac0e563aadb7] Dit is een discretionaire bevoegdheid.[_dfd7d69a-8801-416a-a0b8-dd2e316d050c] Nadat de Kroon heeft vastgesteld welke belangen naar haar oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet zij die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft zij beleidsruimte.[_5ffc2398-3351-45ac-90d0-b42dc8980862] De rechtbank gaat bij de beoordeling van de toepassing van die bevoegdheid niet na of zij in het concrete geval zelf tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.[_0203d4cc-3a93-4ee5-88d6-e0fc64b75a2e]
In dit geval gaat het om de afweging van de belangen die zijn gediend met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad en het negatieve gevolg dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop heeft.
Concreet beoordeelt de rechtbank eerst of de minister de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend aannemelijk heeft gemaakt. Daarna beoordeelt de rechtbank of de minister deze belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het negatieve gevolg dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop heeft.
Heeft de minister de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend aannemelijk gemaakt?
5. De minister heeft aangegeven dat het voetpad aan het openbaar verkeer is onttrokken omdat het in strijd is met het rijksbeleid over het gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen. Een tweede reden is de verkeersveiligheid op verzorgingsplaats De Witte Molen.
De minister heeft onder verwijzing naar de Kennisgeving voorzieningen op verzorgingsplaatsen uit 2004, het Uitvoeringskader verzorgingsplaatsen van 2011 en de Strategische beheervisie verzorgingsplaatsen 2016-2030 van 2016 uitgelegd dat rijkswegen op een enkele uitzondering na niet via verzorgingsplaatsen zijn aangesloten op lokale wegen. Dit omdat verzorgingsplaatsen alleen bedoeld zijn om rijksweggebruikers (uit verkeersveiligheidsoverwegingen) de gelegenheid te geven hun reis over rijkswegen te onderbreken voor een korte rustpauze en om mens en voertuig te kunnen verzorgen. Omdat rijksweggebruikers dit op verzorgingsplaatsen kunnen doen, hoeven zij hiervoor niet het achterland in te reizen, is een verbinding tussen rijkswegen en het achterland hiervoor niet nodig en zorgt het ontbreken van zo’n verbinding voor het behoud van de doorstroming van het rijkswegverkeer, aldus het rijksbeleid. Gelet op waar een verzorgingsplaats voor bedoeld is en de functie die een verzorgingsplaats heeft, vindt de minister dat het voetpad niet bijdraagt aan het doel van verzorgingsplaats De Witte Molen en dat het voetpad zelfs afbreuk doet aan dat doel en de functie van de verzorgingsplaats. De minister streeft ernaar het hele rijkswegenstelsel met verzorgingsplaatsen in 2030 in overeenstemming te hebben met het rijksbeleid over het gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen.
Uit oogpunt van verkeerveiligheid vindt de minister het verder onwenselijk dat fietsverkeer en ander verkeer dat van de fietssnelroute gebruik zou kunnen maken via het voetpad op verzorgingsplaats De Witte Molen kan komen. De minister stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid op de verzorgingsplaats is gediend met het weren van verkeer waarvoor de verzorgingsplaats niet is bedoeld.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op zijn toelichting en het rijksbeleid waarnaar hij heeft verwezen, de belangen van het behoud van de verkeersveiligheid van de rijksweggebruikers en het behoud van de doorstroming van het rijkswegverkeer en dus het belang van een gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen en het nakomen van het rijksbeleid, als ook het belang van de verkeersveiligheid op verzorgingsplaats De Witte Molen aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft deze belangen daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.
Wat eiseres heeft aangevoerd tegen de aanwezigheid van deze belangen leidt er niet toe dat de minister deze belangen ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.
Met betrekking tot het rijksbeleid
Zo heeft eiseres tevergeefs aangevoerd dat het voetpad door het gebruik ervan door bezoekers van de hop een noodzakelijke verkeersfunctie had voor het rijkswegverkeer. Zij stelt dat bezoekers van de hop ook rijksweggebruikers zijn. Om rijksweggebruikers in de gelegenheid te stellen op verzorgingsplaats De Witte Molen te doen waarvoor de verzorgingsplaats bedoeld is, het nemen van een korte rustpauze tijdens een reis over de rijksweg en om mens en voertuig te verzorgen, is het voetpad echter niet noodzakelijk. Dat het voetpad door bezoekers van de hop (als rijksweggebruikers) werd gebruikt om de hop te bezoeken maakt dat niet anders.
Ook zonder succes stelt eiseres dat het voetpad de functionaliteit van de verzorgingsplaats niet aantast. Het voetpad kon volgens eiseres voor een korte wandeling naar de Witte Molen worden gebruikt en paste daarom bij het rustkarakter van de verzorgingsplaats. Ondanks dat maakte het voetpad echter mogelijk dat ook ander verkeer dan het rijkswegverkeer gebruik kon maken van de verzorgingsplaats. Daarmee taste het voetpad door die mogelijkheid te creëren de functionaliteit van de verzorgingsplaats aan. De verzorgingsplaats heeft namelijk uitsluitend een functie voor het rijkswegverkeer.
Over de opmerking van eiseres dat haar het belang ontgaat van het behoud van de doorstroming van het rijkswegverkeer merkt de rechtbank op dat de minister dat belang alleen heeft aangehaald bij het omschrijven van het rijksbeleid over het gesloten stelstel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen. De minister heeft dit belang niet als een belang op zich aangehaald dat gediend is met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad.
Met betrekking tot de verkeersveiligheid op verzorgingsplaats De Witte Molen
Eiseres gaat er verder ten onrechte vanuit dat het voetpad geen verschil maakt voor de verkeersveiligheid op verzorgingsplaats De Witte Molen. Zij voert met recht aan dat de verkeersveiligheid voor voetgangers op de verzorgingsplaats verzekerd moet zijn, maar gaat er ten onrechte aan voorbij dat verkeer via het voetpad onbedoeld gebruik kon maken van de verzorgingsplaats en dat het weren van verkeer dat niet op de verzorgingsplaats hoeft te zijn, dienstig is aan de verkeersveiligheid op de verzorgingsplaats. De minister heeft daarom ook niet hoeven aan te gegeven, anders dan eiseres vindt, dat met het verkeer dat via het voetpad op de verzorgingsplaats kon komen ongevallen zijn gebeurd en/of hoeven aan te tonen dat dat verkeer hinder of bovenmatig gevaar veroorzaakte.
De alternatieven die er volgens eiseres zijn om het verkeer dat via het voetpad op de verzorgingsplaats komt te weren, heeft de minister niet nader hoeven te onderzoeken. Dit omdat het voetpad in de alternatieve scenario’s niet aan het openbaar verkeer wordt onttrokken en deze scenario’s dus in strijd zijn met het rijksbeleid over het gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen dat de minister als belang voor de onttrekking aan het verkeer van het voetpad, zoals hiervoor onder 6 geoordeeld, terecht heeft meegewogen in het besluit.
Heeft de minister de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het negatieve gevolg dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop heeft?
7. De minister vindt het belang van bezoekers van de hop geen bij de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad relevant belang, gelet op het doel en de functie van verzorgingsplaats De Witte Molen waaraan het voetpad ligt. De minister vindt het ook niet zijn taak om een veilige toegang tot de hop te garanderen en om de hop in stand te houden. De minister heeft aangegeven dat hij neutraal staat tegenover een hop en dat hij uit zorgvuldigheidoverwegingen het negatieve gevolg van het bestreden besluit voor bezoekers van de hop, dat zij zonder voetpad de hop niet (goed en veilig) kunnen bereiken, toch bij het nemen van dat besluit heeft meegewogen.
8. De minister vindt het negatieve gevolg van de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop niet opwegen tegen de zwaarder wegende belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend. De minister heeft daarvoor van belang geacht dat de verwijdering van het voetpad bezoekers van de hop niet heeft belet om de hop te bezoeken. De minister vindt niet onderbouwd dat de hop niet meer veilig te bereiken was. Verder heeft de minister bij zijn afwegingen in aanmerking genomen dat bezoekers van de hop kunnen proberen hun belangen tot gelding te laten komen in een formele procedure over de aanwijzing van een hop en elkaar ook ergens anders kunnen ontmoeten.
9. De minister heeft aldus de belangen die met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad zijn gediend en het negatieve gevolg van de onttrekking aan het verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop inzichtelijk gemaakt. De minister heeft ook zijn afweging kenbaar gemaakt en het gewicht dat hij aan de belangen en het negatieve gevolg heeft toegekend. Gelet op zijn toelichting heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat het negatieve gevolg van de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop niet zodanig is dat hij van de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad had moeten afzien. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister bij zijn afweging om tot het bestreden besluit te komen meer gewicht heeft mogen toekennen aan de daarmee gediende belangen dan aan het negatieve gevolg van zijn besluit voor bezoekers van de hop.
10. Wat eiseres tegen de afweging van de minister heeft aangevoerd leidt er niet toe dat de minister deze afweging in redelijkheid niet heeft kunnen maken.
Zo heeft eiseres tevergeefs aangevoerd dat het rijksbeleid over het gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen geen zwaarwegend belang meer kan zijn omdat het al jaren bestaat. Het beleid is namelijk nog steeds actueel en basis voor de visie van het Rijk op rijkswegen tot 2030.
Ook zonder succes heeft eiseres weersproken dat bezoekers van de hop elkaar ook ergens anders kunnen ontmoeten. Voor zover eiseres daarmee heeft willen aangeven dat het negatieve gevolg van de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad voor bezoekers van de hop groter is dan waar de minister van is uitgegaan, leidt dit er niet toe dat de minister dat negatieve gevolg in redelijkheid niet ondergeschikt heeft kunnen vinden aan de met het aan het openbaar verkeer onttrekken van het voetpad gediende belangen. De hop was namelijk ook na verwijdering van het voetpad, weliswaar moeilijker maar door de bedding van de (bijna altijd droge) sloot nog steeds bereikbaar en werd ook bezocht. Eiseres heeft zelf in beroep aangegeven dat de verwijdering van het voetpad het gebruik van de hop niet heeft belet. Dat de hop zonder voetpad niet meer veilig kon worden bereikt, heeft niet tot een andere afweging hoeven te leiden, alleen al omdat eiseres dit slechts heeft gesteld. De uitdieping van de sloot waardoor er water in de (bijna altijd droge) bedding van de sloot blijft staan en het geplaatst wildraster dat de toegang tot de hop inmiddels praktisch onmogelijk maakt, zijn obstakels die mogelijk waren na de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad. Dat deze mogelijkheden er na het nemen van het bestreden besluit waren heeft in redelijkheid evenmin tot een andere afweging hoeven te leiden. Niet alleen omdat het, toen verweerder het besluit nam, nog slechts mogelijkheden waren. De minister heeft ook onder deze omstandigheden de belangen die met het bestreden besluit zijn gediend in redelijkheid het zwaarst kunnen laten wegen.
11. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit ook voldoende deugdelijk gemotiveerd vindt en vindt dat het bestreden besluit ook zonder onderzoek naar het gebruik van het voetpad, maar met aandacht voor bezoekers van de hop als gebruikers van het voetpad, voldoende zorgvuldig is voorbereid.
Strijd met het gelijkheidsbeginsel
12. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zij heeft verwezen naar verzorgingsplaatsen De Forten en Gennep waar wel een verbinding met het achterland bestaat.
13. De minister heeft toegelicht dat bij verzorgingsplaatsen De Forten en Gennep een uitzondering is gemaakt op het gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen. Bij verzorgingsplaats De Forten is de uitzondering voor zover de minister weet een proef omdat bij deze verzorgingsplaats een Toeristisch Overstappunt (TOP) is van waar toeristen naar toeristische plekken in de omgeving kunnen wandelen. Bij verzorgingsplaats Gennep is volgens de minister maatwerk geleverd omdat de situatie daar uniek is. De minister heeft aangegeven dat deze verzorgingsplaats ten behoeve van het personeel dat werkzaam is in het restaurant op de verzorgingsplaats door middel van een loopbrug met het achterland is verbonden. Zonder deze verbinding zou het personeel vanwege de ligging van de verzorgingsplaats via Duitsland moeten rijden om de verzorgingsplaats te kunnen bereiken wat volgens de minister onwenselijk is.
14. Eiseres heeft de aanwezigheid van de TOP bij verzorgingsplaats De Forten en de unieke situatie bij verzorgingsplaats Gennep niet weersproken. Alleen al omdat er bij verzorgingsplaats De Witte Molen geen TOP is en deze verzorgingsplaats zich niet in de unieke situatie bevindt van verzorgingsplaats Gennep, is geen sprake van gelijke gevallen. Het bestreden besluit is daarom niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
15. De rechtbank heeft daarom al geen reden gezien de minister te horen over de proef bij De Forten.
Strijd met het vertrouwensbeginsel
16. Eiseres heeft ook aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zij heeft verwezen naar een e-mail van 25 september 2020 van [naam] van Rijkswaterstaat waarin staat dat Rijkswaterstaat geen ontmoedigingsbeleid voert en dat toegang tot een hop niet wordt belet. Eiseres stelt dat zij aan de e-mail het vertrouwen mocht ontlenen dat het voetpad openbaar zou blijven.
17. Het vertrouwensbeginsel is pas geschonden als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Een voorwaarden om aan te kunnen nemen dat sprake is van een toezegging is dat een uitlating en/of gedraging toegesneden moet zijn op de concrete situatie.[_d732b2ba-5528-450a-aa2e-582397dccdc8] De rechtbank is van oordeel dat aan dit vereiste in dit geval niet is voldaan. De zinsnede waaraan eiseres het vertrouwen ontleent is een algemene opmerking en ziet niet concreet op het voetpad. Het besluit is daarom niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Strijd met het rechtszekerheidsbeginsel
18. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het pas is genomen nadat het voetpad was verwijderd. Eiseres vindt dat dit vernietiging van het bestreden besluit tot gevolg moet hebben.
19. Alhoewel de rechtbank het met eiseres eens is dat het bestreden besluit had moeten worden genomen voordat het voetpad was verwijderd, de minister vindt dat zelf ook, geeft de omstandigheid dat het bestreden besluit pas is genomen nadat het voetpad is verwijderd geen reden dat besluit te vernietigen. Deze omstandigheid tast de afweging die de minister over de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad heeft gemaakt en mocht maken namelijk niet aan. Het bestreden besluit is daarom ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Ongewenst gedrag en discriminatie
20. Eiseres is ook nog van mening dat de minister het voetpad aan het openbaar verkeer heeft onttrokken vanwege de hop. Eiseres leidt dit af uit een brief van de minister van 15 oktober 2019 aan de gemeente Groningen.
De brief van de minister van 15 oktober 2019 gaat over de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad. In deze brief is een passage opgenomen over ongewenst gedrag: “Het voetpad wordt gebruikt als ontmoetingsplaats tussen personen wat resulteert in ongewenst gedrag dat wij tot het minimum willen beperken.”
21. De minister heeft toegelicht dat overlast van de hop uitdrukkelijk geen reden is geweest om het voetpad aan het openbaar verkeer te onttrekken. De minister heeft daarbij opgemerkt dat er in 2015 meldingen van overlast zijn geweest en dat onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad mede om die reden werd overwogen, maar dat dit jaren later niet meer aan de orde was en door de aanleg van de fietssnelweg zich de praktische situatie voordeed de plaatselijke situatie in overeenstemming te brengen met het rijksbeleid over het gesloten stelsel van rijkswegen en verzorgingsplaatsen.
22. De rechtbank begrijpt wat eiseres heeft aangevoerd zo dat eiseres heeft bedoeld te zeggen dat de minister zijn bevoegdheid om een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor hem die bevoegdheid is gegeven en daarmee in zoverre in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld.
23. Alhoewel uit de brief van 15 oktober 2019 is af te leiden dat de hop aanvankelijk een reden is geweest voor de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad en heeft de minister ook aangegeven dat overlast in het verleden reden heeft gegeven om de hop mee in overweging te nemen, is dit onvoldoende om aannemelijk te vinden dat de hop de reden is geweest voor de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad. Hierbij is van belang dat de belangen die het bestreden besluit dient, zoals deze uit het bestreden besluit blijken, dat besluit ook redelijkerwijs kunnen dragen. De minister heeft met de onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad op zichzelf de toegang tot de hop ook niet belet, zoals eerder al is overwogen. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft daarom geen reden te oordelen dat de minister zijn bevoegdheid om een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor de minister deze bevoegdheid heeft gekregen.
24. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding nog in te gaan op het argument van eiseres dat het bestreden besluit een vorm van institutionele homo-discriminatie is.
Wat eiseres verder nog heeft aangevoerd
25. De rechtbank gaat ook niet in op wat eiseres op de zitting van 3 juni 2026 pas voor het eerst heeft aangevoerd over de noodzaak van een verkeersbesluit naast het besluit tot onttrekking aan het openbaar verkeer van het voetpad en over de vergelijking die eiseres maakt tussen verzorgingsplaats De Witte Molen en andere verzorgingsplaatsen dan de hiervoor genoemde verzorgingsplaatsen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit in strijd met de goede procesorde pas op 3 juni 2026 heeft aangevoerd. Eiseres had dit eerder kunnen aanvoeren.
26. De rechtbank is hiervoor onder 5 tot en met 23 ingegaan op de kern van het beroep. De rechtbank hoeft niet op alle aangevoerde argumenten (afzonderlijk) in te gaan. Wat eiseres verder nog heeft aangevoerd en hiervoor niet is besproken, heeft de rechtbank gelezen en heeft geen aanleiding gegeven anders te oordelen.
Conclusie en gevolgen
27. Het beroep is ongegrond. Wat eiseres tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd slaagt dus niet. Het gevolg daarvan is dat het bestreden besluit in stand blijft.
Griffierecht en proceskosten
28. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden en voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
| griffier rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 8 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Het bestreden besluit is een besluit van de Kroon. De minister draagt de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor dat besluit. Omdat de minister verweer heeft gevoerd merkt de rechtbank de minister aan als verweerder. Voor een betere lezing van de uitspraak omschrijft de rechtbank het besluit bij haar beoordeling deels ook als een besluit van de minister hoewel het dus een besluit is van de regering.
- Zie artikel 1, tweede lid, onder I., van de Wegenwet.
- Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenwet.
- De bevoegdheid om naar eigen inzicht een besluit te nemen.
- Dit blijkt uit het gebruik van het woord “kan” in artikel 8, eerste lid van de Wegenwet.
- Zoals bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:879).
- Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:489) met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019(ECLI:NL:RVS:2019:1694).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.