Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Limburg, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:10299Zaaknummer 11984530 \ CV EXPL 25-5416
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11984530 \ CV EXPL 25-5416
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Roermond
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Uitrijden parkeergarage door 'treintje rijden'. Kentekenhouder was tevens inzittende. Vordering wordt toegewezen.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om aan Q-Park te betalen een bedrag van
€ 387,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot aan de dag van voldoening,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Q-Park niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11984530 \ CV EXPL 25-5416
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[bewindvoerder], h.o.d.n. LABYRINTH BEWIND, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het mondelinge antwoord van [gedaagde]
- de rolbeslissing van 7 januari 2026
- het op 30 maart 2026 ontvangen bericht van Q-Park
- de conclusie van antwoord van de bewindvoerder q.q.- de conclusie van repliek
- de akte van depot- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Q-Park exploiteert en beheert parkeeraccommodaties, waaronder de [parkeergarage] (hierna: de parkeergarage).
Het parkeermanagementsysteem en de camera’s van Q-Park hebben geregistreerd dat met het voertuig met [kenteken] (type Honda Jazz 1.4 I) gebruik is gemaakt van de parkeergarage op 18 juni 2025. Deze auto staat op naam van [gedaagde].
Bij iedere ingang van de parkeeraccommodaties van Q-Park worden voorafgaand aan het naar binnen rijden van de parkeeraccommodatie de geldende tarieven en (toepasselijkheid van) de algemene voorwaarden van Q-Park kenbaar gemaakt door middel van een informatiebord. Op het informatiebord staat vermeld waar de algemene voorwaarden kunnen worden opgevraagd. Artikel 5.5. van de algemene voorwaarden luidt als volgt:
‘5.5 Het met een Motorvoertuig of enig ander voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).‘
Het voertuig van [gedaagde] met [kenteken] heeft op 18 juni 2025 om 14:25 uur de [parkeergarage] verlaten zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs. De bestuurder van het voertuig maakte gebruik van de ten behoeve van zijn voorganger nog openstaande slagboom en reed daar direct achteraan, voordat de slagboom kon sluiten (het zogenaamde ‘treintje rijden’).
3 Het geschil
Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van de bewindvoerder q.q. tot betaling van € 445,52, vermeerderd met rente en kosten.
Q-Park legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Q-Park heeft aan [gedaagde] tegen betaling een parkeerplaats in de parkeergarage aangeboden, welk aanbod [gedaagde] heeft geaccepteerd. [gedaagde] is de parkeergarage binnengereden, waardoor er tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft in strijd met de overeenkomst en de algemene voorwaarden van Q-Park gehandeld door zonder betaling de parkeergarage te verlaten. Op grond van artikel 5.5 van de toepasselijke algemene voorwaarden is de bewindvoerder q.q. aan Q-Park (aanvullende) schadevergoeding van
€ 382,41 verschuldigd alsmede het verschuldigde parkeergeld van € 5,00. Subsidiair meent Q-Park dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld.
De bewindvoerder q.q. voert verweer. Zij stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat [gedaagde] weliswaar kentekenhouder is, maar dat zij op 18 juni 2025 niet heeft gereden.
Zij zat op dat moment op de bijrijdersstoel. Nadat haar partner bij het inrijden besefte dat hij treintje had gereden en geen parkeerkaart had gekregen, heeft hij op de knop gedrukt bij de slagboom. Met een medewerker van Q-Park is toen afgesproken dat wanneer hij weer uit de garage zou rijden, hij opnieuw op de knop zou drukken zodat de medewerker een eindtijd kon noteren, op basis daarvan een bedrag kon berekenen en er betaald kon worden. Bij het uitrijden kreeg [gedaagde] een discussie met haar partner, hun pasgeboren zoontje moest zijn voeding weer hebben en bleef huilen, en de emoties liepen bij haar partner hoog op, waardoor de partner zei dat hij niet anders kon dan op dezelfde manier weer uit de garage te rijden. [gedaagde] en haar partner hebben nog geprobeerd om een medewerker van Q-Park te bereiken, maar dat is niet gelukt. [gedaagde] heeft in het verleden meerdere boetes ontvangen die veroorzaakt waren door haar partner. Zij heeft alle boetes betaald maar het gaat haar te ver om ook deze boete te betalen. Gelet op deze omstandigheden is de bewindvoerder q.q. van mening dat de boete ten onrechte aan [gedaagde] is opgelegd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt voorop dat Q-Park bij rolbeslissing van 7 januari 2026 in de gelegenheid is gesteld om de bewindvoerder van [gedaagde] in de procedure te betrekken.
Q-Park heeft hieraan gevolg gegeven en de bewindvoerder q.q. is in de plaats getreden van [gedaagde]. Dit betekent dat alleen de bewindvoerder q.q. in deze zaak als gedaagde wordt aangemerkt.
Vast staat dat de auto van [gedaagde] op 18 juni 2025 in de parkeergarage is geweest, dat bij het binnenrijden van de parkeergarage een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen, en dat de bestuurder op dezelfde datum de parkeergarage is uitgereden door achter een andere auto onder de geopende slagboom door te rijden. Dit blijkt uit het door Q-Park ter griffie gedeponeerde beeldmateriaal, en wordt ook door de bewindvoerder q.q. erkend. De bewindvoerder q.q. stelt zich echter op het standpunt dat [gedaagde] weliswaar op dat moment als bijrijder in de auto zat en kentekenhouder was, maar niet de bestuurder van de auto, en om die reden niet gehouden is de vordering van Q-Park te voldoen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de algemene voorwaarden van Q-Park van toepassing zijn. Deze zijn overgelegd als productie 3 bij de dagvaarding.
In artikel 2.3 van de algemene voorwaarden is het volgende bepaald:
‘Een eenmalige overeenkomst komt o.a. tot stand door het inrijden in een Parkeerfaciliteit. Het feit dat de Klant zich op het tot de Parkeerfaciliteit behorende terrein bevindt of heeft bevonden of via het PMS als ingereden is geregistreerd is voldoende voor het vaststellen van gebruik.’
In de algemene voorwaarden zijn in artikel 1 een aantal definities opgenomen. Onder ‘Klant’ wordt verstaan: Parkeerder, Abonnementhouder of Afnemer.
Onder ‘Parkeerder’ wordt verstaan: Eigenaar, gebruiker, houder of inzittende van een Motorvoertuig dat zich in of op de Parkeerfaciliteit bevindt.
Vast staat dat [gedaagde] ten tijde van het inrijden in de parkeergarage en later tijdens het ‘treintje rijden’ op de bijrijdersstoel zat. Dit betekent dat zij kan worden aangemerkt als een ‘inzittende’, en daarmee ook als ‘Parkeerder’, en daarmee ook als ‘Klant’ als bedoeld in de toepasselijke algemene voorwaarden van Q-Park. Dit heeft tot gevolg dat (ook) tussen [gedaagde] en Q-Park een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen. Daaruit volgt dat ook zij aansprakelijk is voor betaling van het parkeergeld.
Nu vast staat dat [gedaagde] contractspartij van Q-Park is geweest en zij een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of sprake is van oneerlijke bedingen. Een beding kan bijvoorbeeld oneerlijk zijn als het beding tot doel heeft om een consument die zijn verplichtingen niet nakomt een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de schadevergoeding zoals opgenomen in artikel 5.5 van de algemene voorwaarden niet onredelijk hoog en staat deze in een redelijke verhouding tot de (te verwachten) schade als gevolg van het ‘treintje rijden’. Artikel 5.5 is een schadevergoedingsbeding op grond waarvan een klant die ‘treintje rijdt’ een aanvullende schadevergoeding van € 382,41 verschuldigd is. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing die Q-Park over de hoogte van de schadevergoeding heeft gegeven, is ook in dit geval geen sprake van een onredelijk bedrag. Volgens Q-Park dient het forfaitaire bedrag van € 382,41 als prikkel tot nakoming (namelijk: pas uitrijden als er is betaald) en mag het bedrag in dat kader voldoende afschrikwekkend zijn om te voorkomen dat auto’s direct achter hun voorganger naar buiten rijden. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot het belang dat Q-Park hierbij heeft: het dien voor vergoeding van algemenere schade, zoals de inzet van personeel en apparatuur om treintje rijden te voorkomen en klachten daarover te behandelen.
Voor de volledigheid, strikt genomen heeft [gedaagde] niet zelf “treintje gereden” wat de vraag doet opkomen of zij toch gehouden is het forfaitaire bedrag, dat daaraan is gekoppeld, te voldoen. De kantonrechter is van oordeel dat zij dat wel moet betalen. De boete vindt immers niet de grondslag in het “treintje rijden” op zich maar in het zonder betalen de parkeergarage verlaten. Ook [gedaagde] heeft zich daaraan schuldig gemaakt. Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat zij niet achter het stuur zat en er dus niets aan heeft kunnen doen dat de parkeergarage uitgereden werd zonder te betalen mag ook dat haar niet baten. Zij had immers prima op enig later moment contact kunnen opnemen met Q-Park en alsnog de parkeerkosten kunnen voldoen of op z’n minst kenbaar kunnen maken wie dan de bestuurder was tijdens het “treintje rijden”.
Het verschuldigde parkeergeld van € 5,00 en de aanvullende schadevergoeding van
€ 382,41 zijn toewijsbaar, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.
De kantonrechter stelt verder vast dat de toepasselijke algemene voorwaarden in artikel 8.1 een beding bevatten op grond waarvan Q-Park aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat dit beding oneerlijk is. De bedongen vergoeding is namelijk bij voorbaat vastgesteld op 15% van de onbetaalde hoofdsom, met een minimum van € 250,00, en daarmee dus hoger dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het gevolg hiervan is dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
De bewindvoerder q.q. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 120,78
- griffierecht € 135,00
| - salaris gemachtigde | € | 174,00 | (2 punten x € 87,00) |
| - nakosten | € | 43,50 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 473,28 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om aan Q-Park te betalen een bedrag van
€ 387,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 tot aan de dag van voldoening,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Q-Park niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.