Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Limburg, 6 december 2023
ECLI:NL:RBLIM:2023:7156Zaaknummer 10430969 \ CV EXPL 23-1309
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 6 december 2023
- Publicatiedatum
- 13 december 2023
- Zaaknummer
- 10430969 \ CV EXPL 23-1309
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bijzondere overeenkomst; koop en ruil; consumentenkoop
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.337,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 2.467,50 vanaf 6 maart 2023 tot de dag van betaling van het bedrag van € 500,00 en vanaf dat moment over € 2.337,63 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 550,84,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10430969 \ CV EXPL 23-1309
Vonnis van de kantonrechter van 6 december 2023
in de zaak van:
[eiser], tevens h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
gemachtigde mr. D.J. Mensink
tegen:
[gedaagde],
wonende [adres],
[woonplaats],
gedaagde partij,
procederende in persoon.
1 De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 juli 2023
- de schriftelijke weergave van de mondelinge akte van gedaagde partij
- de akte van eisende partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter:
- overwogen voornemens te zijn de betalingsverplichting van gedaagde partij met 25% te verminderen
- beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over de voorgenomen vermindering uit te laten.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om terug te komen van hetgeen in het tussenvonnis is overwogen. Beide partijen gaan akkoord met een vermindering van de betalingsverplichting van gedaagde partij met 25%.
Op grond van voorgaande overwegingen zal een bedrag van € 2.467,50 aan gesanctioneerde hoofdsom worden toegewezen.
De gevorderde vervallen wettelijke rente vanaf de verzuimdatum tot 28 juni 2023 (de datum van de akte voor de rol van 28 juni 2023) ten bedrage van € 216,52 is niet toewijsbaar aangezien deze over een te hoog bedrag is berekend.
De wettelijke rente over de gesanctioneerde hoofdsom zal worden toegewezen vanaf 6 maart 2023 (= de datum van dagvaarding).
Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.
Nu een substantieel deel van de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gesanctioneerde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. Er zal een bedrag groot € 370,13 worden toegewezen.
Het door gedaagde partij betaalde bedrag van € 500,00 zal ingevolge artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek in de eerste plaats in mindering strekken van de buitengerechtelijke kosten en vervolgens van de hoofdsom.
De conclusie van het voorgaande is dat een bedrag van € 2.337,63 zal worden toegewezen, bestaande uit:
- € 2.467,50 aan gesanctioneerde hoofdsom
- € 370,13 aan buitengerechtelijke incassokosten
- minus € 500,00 aan deelbetalingen
te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.467,50 vanaf 6 maart 2023 tot de dag van betaling van het bedrag van € 500,00 en vanaf dat moment over € 2.337,63 tot de dag van volledige betaling.
Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure met dien verstande dat de gevorderde informatiekosten overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK worden toegewezen (exploot € 106,73 + BRP € 0,59 + DBR € 0,52 = € 107,84).
De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 107,84
- griffierecht € 244,00
- salaris gemachtigde € 199,00 (1 x tarief € 199,00)
totaal € 550,84
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.337,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 2.467,50 vanaf 6 maart 2023 tot de dag van betaling van het bedrag van € 500,00 en vanaf dat moment over € 2.337,63 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 550,84,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.