Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Limburg, 12 april 2023
ECLI:NL:RBLIM:2023:3894Zaaknummer 10244947 BT VERZ 22-4849
- Instantie
- Rechtbank Limburg
- Datum uitspraak
- 12 april 2023
- Publicatiedatum
- 4 juli 2023
- Zaaknummer
- 10244947 BT VERZ 22-4849
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Maastricht
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Meerderjarigenbewind. Toezicht kantonrechter. Machtigingsverzoek voor verstrekken van een lening afgewezen.
beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.[_83b6c4ca-6589-41ad-a680-8a720fe0b71e]
Volledige tekst
RECHTBANK LIMBURG
Team Toezicht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 10244947 BT VERZ 22-4849
BM-nummer: BM 15638
Uitspraakdatum: 12-04-2023
Beschikking op een machtigingsverzoek
op verzoek van de bewindvoerder:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1962,
wonende te [woonplaats], [adres 1],
hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:
[rechthebbende],
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1996,
wonende te [woonplaats], [adres 2],
hierna te noemen: de rechthebbende.
verzoek
Bij beschikking van 13 oktober 2015 zijn onder bewind gesteld de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en is verzoeker benoemd tot bewindvoerder.
Het verzoek strekt tot het verlenen van een machtiging om de rechthebbende een lening te laten verstrekken aan verzoeker.
procedure
Het verzoekschrift (met bijlagen) is ingekomen op 19 december 2022.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 maart 2023 ten overstaan van mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en G.R.P.A. Giera, giffier, waar zijn verschenen:
- de rechthebbende,
- verzoeker.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
beoordeling
Beoordeeld dient te worden of het verrichten van de rechtshandeling waarvoor machtiging wordt verzocht in het belang van de rechthebbende is. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
De rechthebbende heeft in 2022 € 126.551,61 van zijn grootvader geërfd. Verzoeker wil € 50.000,- lenen van de rechthebbende om zijn huis te verduurzamen, ogenschijnlijk zonder hier iets tegenover te willen stellen: geen hypotheekrecht, geen aflossingen en de rente van 3,5% per jaar (€ 1.750,-) zou moeten worden weggestreept tegen een jaarlijkse gift van € 1.750,-. Dit is niet in het belang van de rechthebbende.
Desgevraagd gaf verzoeker aan zich te kunnen vinden in een machtiging met voorwaarden (rentebetalingen en het opstellen van een hypotheekakte). Hierna heeft verzoeker nog aanvullende stukken ingediend. In de begeleidende brief bij deze stukken staat dat verzoeker terug wil komen op de uitspraak van de kantonrechter van 2 maart jl., blij is met het besluit van de kantonrechter om in te stemmen met de te verstrekken lening en hoopt dat de kantonrechter haar standpunt wil aanpassen t.a.v. de rente.
De kantonrechter heeft, in tegenstelling tot wat verzoeker schrijft, echter nog geen uitspraak gedaan of een besluit genomen. Zij heeft enkel aangegeven voornemens te zijn over te gaan tot verlening van een machtiging onder voorwaarden, maar voorafgaand aan een definitief besluit een aantal stukken te willen ontvangen en overleg te willen plegen met collega’s.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet in het belang van de rechthebbende is om € 50.000,- aan verzoeker uit te lenen. Weliswaar zou dit – indien verzoeker rente betaalt – rendement opleveren, maar gezien het lage percentage is dit voordeel beperkt. Afhankelijk van wat de rente de komende decennia gaat doen, kan het percentage zelfs nadelig voor de rechthebbende uitpakken.
Hoewel het er vooralsnog naar uitziet dat de rechthebbende de uit te lenen som kan missen, is niet te voorspellen hoe dat in de toekomst zal zijn. Verzoeker wil laten vastleggen dat de lening opeisbaar is ‘bij zijn overlijden en/of zoveel eerder uit de verkoop van de woning’. Verzoeker zou gelet op zijn leeftijd (61 jaar) echter nog lange tijd in de betreffende woning kunnen blijven wonen, en al die tijd zal de rechthebbende niet de vrije beschikking hebben over zijn € 50.000,-. Een som die ook niet zal afnemen mettertijd, omdat verzoeker niet van plan is hierop af te lossen. Dit terwijl rechthebbende dit geld wellicht voorafgaand aan verkoop van de woning dan wel overlijden van verzoeker nodig zal hebben. Als de erfenis wordt weggedacht is het vermogen van rechthebbende sinds 2021 immers behoorlijk afgenomen. Hierbij komt dat de kosten voor de rechthebbende door de geërfde som zullen toenemen (bijvoorbeeld een hogere eigen bijdrage WLZ, geen recht meer op zorgtoeslag en het verschuldigd worden van vermogensrendementsheffing. Ook is onbekend hoe de verzorgingsstaat er in de toekomst gaat uitzien; of dat wat nu nog door de overheid, de zorgverzekering of het CAK wordt vergoed, in de toekomst nog zal worden vergoed.). De kantonrechter is daarom van oordeel dat het niet in het belang van de rechthebbende is een (hypotheciare) lening te verstrekken aan verzoeker. Het verzoek zal worden afgewezen.
beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.[_83b6c4ca-6589-41ad-a680-8a720fe0b71e]
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.