Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Limburg, 3 mei 2023

ECLI:NL:RBLIM:2023:3147Zaaknummer ROE 23/514

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
3 mei 2023
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
ROE 23/514
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

“Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om hem bij wijze van voorlopige voorziening een briefadres toe te kennen. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening een briefadres aan verzoeker toegekend. De voorzieningenrechter vindt dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat verzoeker een woonadres heeft en dus geen briefadres kan krijgen. Verder is onzeker of het college in de bezwaarschriftprocedure een motivering kan geven die voldoet en wegen de belangen van verzoeker het zwaarste.”

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat zij het bestreden besluit schorst en aan verzoeker met onmiddellijke ingang een briefadres toekent bij de gemeente van het college tot zes weken nadat het college de beslissing op bezwaar aan verzoeker bekend heeft gemaakt.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst bepaalt ze dat het college het griffierecht dat verzoeker voor de behandeling van het verzoek heeft moeten betalen, te weten een bedrag van € 184,-, aan verzoeker moet vergoeden. Zij veroordeelt het college daarnaast tot betaling aan verzoeker van een vergoeding voor de door hem voor de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten, te weten een bedrag van € 1.674,-. De voorzieningenrechter kent verzoeker deze laatste vergoeding toe omdat de gemachtigde van verzoeker het verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt zij 1 punt per proceshandeling met een waarde per punt van € 837,- en past zij wegingsfactor 1 toe.

Motivering van de uitspraak

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, zoals hiervoor omschreven, toe omdat zij het bestreden besluit niet goed genoeg gemotiveerd vindt, het onzeker is of het bestreden besluit in de bezwaarschriftprocedure in stand zal kunnen blijven en omdat de belangenafweging die zij dan moet maken in het voordeel van verzoeker uitpakt. Het belang van verzoeker weegt het zwaarste omdat hij niet beschikt over inkomsten en pas een uitkering kan aanvragen en mogelijk pas weer een zorgverzekering kan krijgen als hij een briefadres heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met dat belang het spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening is gegeven.

2. Het bestreden besluit is niet goed genoeg gemotiveerd omdat het college op basis van het aanmeldformulier van 14 december 2022 vindt dat verzoeker een woonadres heeft -en dus geen briefadres kan krijgen- terwijl uit dat aanmeldformulier niet blijkt dat verzoeker een woonadres heeft. Het college gaat er op grond van dat aanmeldformulier van uit dat verzoeker naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde deel van de tijd op het adres van zijn ex-partner zal overnachten en daarom een woonadres heeft. Uit dat aanmeldformulier blijkt echter niet dat verzoeker naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde deel van de tijd op het adres van zijn ex-partner zal overnachten. In dat aanmeldformulier staat als antwoord op de vraag waar verzoeker de komende drie maanden gaat overnachten het adres van zijn ex-partner ingevuld en achter welke dagen per week hij op dat adres gaat verblijven: “nog geen idee (zoveel mogelijk)”. Dit laatste vindt de voorzieningenrechter te weinig om ervan uit te kunnen gaan dat verzoeker naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde deel van de tijd op het adres van zijn ex-partner zal overnachten.

3. Het is niet zeker of het college de motivering van het betreden besluit in de bezwaarschriftprocedure kan aanvullen tot een voldoende motivering. De gemachtigde van het college heeft op de zitting weliswaar gezegd dat de sociale recherche uit onderzoek is gebleken dat verzoeker waarschijnlijk bij zijn ex-partner woont, maar die bevindingen heeft het college niet overgelegd en daarover beschikt het ook niet, zoals de gemachtigde van het college op de zitting heeft gezegd, zodat de voorzieningenrechter niet kan nagaan of het college op grond van die bevindingen kan vaststellen dat verzoeker een woonadres heeft.

4. In de motivering van het bestreden besluit die het college in het verweerschrift heeft gegeven, namelijk dat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt waar ‘aan de waterkant’ is en hoe lang hij daar verblijft, gaat de voorzieningenrechter niet mee. Verzoeker heeft in het aanmeldformulier van

20 januari 2023 gemeld dat hij momenteel vaak aan de waterkant verblijft met een hengeltje. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van het college had gelegen om die informatie nader te onderzoeken.

Dit proces-verbaal is opgemaakt door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, en mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De griffier heeft het proces-verbaal ook ondertekend, de

voorzieningenrechter is daartoe niet in de gelegenheid.

Griffier

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 12 mei 2023.

Tegen de uitspraak in dit proces-verbaal staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 3 mei 2023 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
  2. [naam] , verzoeker
  3. Zitting
  4. Beslissing
  5. Motivering van de uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 23/514

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

3 mei 2023 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.M. McKernan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen.

Zitting

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening, dat verzoeker heeft ingediend terwijl hij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het college van

15 februari 2023 (het bestreden besluit), op 3 mei 2023 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en [Naam gemachtigde], de gemachtigde van het college.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan en partijen meegedeeld dat tegen de uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat zij het bestreden besluit schorst en aan verzoeker met onmiddellijke ingang een briefadres toekent bij de gemeente van het college tot zes weken nadat het college de beslissing op bezwaar aan verzoeker bekend heeft gemaakt.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst bepaalt ze dat het college het griffierecht dat verzoeker voor de behandeling van het verzoek heeft moeten betalen, te weten een bedrag van € 184,-, aan verzoeker moet vergoeden. Zij veroordeelt het college daarnaast tot betaling aan verzoeker van een vergoeding voor de door hem voor de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten, te weten een bedrag van € 1.674,-. De voorzieningenrechter kent verzoeker deze laatste vergoeding toe omdat de gemachtigde van verzoeker het verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt zij 1 punt per proceshandeling met een waarde per punt van € 837,- en past zij wegingsfactor 1 toe.

Motivering van de uitspraak

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening, zoals hiervoor omschreven, toe omdat zij het bestreden besluit niet goed genoeg gemotiveerd vindt, het onzeker is of het bestreden besluit in de bezwaarschriftprocedure in stand zal kunnen blijven en omdat de belangenafweging die zij dan moet maken in het voordeel van verzoeker uitpakt. Het belang van verzoeker weegt het zwaarste omdat hij niet beschikt over inkomsten en pas een uitkering kan aanvragen en mogelijk pas weer een zorgverzekering kan krijgen als hij een briefadres heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met dat belang het spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening is gegeven.

2. Het bestreden besluit is niet goed genoeg gemotiveerd omdat het college op basis van het aanmeldformulier van 14 december 2022 vindt dat verzoeker een woonadres heeft -en dus geen briefadres kan krijgen- terwijl uit dat aanmeldformulier niet blijkt dat verzoeker een woonadres heeft. Het college gaat er op grond van dat aanmeldformulier van uit dat verzoeker naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde deel van de tijd op het adres van zijn ex-partner zal overnachten en daarom een woonadres heeft. Uit dat aanmeldformulier blijkt echter niet dat verzoeker naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde deel van de tijd op het adres van zijn ex-partner zal overnachten. In dat aanmeldformulier staat als antwoord op de vraag waar verzoeker de komende drie maanden gaat overnachten het adres van zijn ex-partner ingevuld en achter welke dagen per week hij op dat adres gaat verblijven: “nog geen idee (zoveel mogelijk)”. Dit laatste vindt de voorzieningenrechter te weinig om ervan uit te kunnen gaan dat verzoeker naar verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde deel van de tijd op het adres van zijn ex-partner zal overnachten.

3. Het is niet zeker of het college de motivering van het betreden besluit in de bezwaarschriftprocedure kan aanvullen tot een voldoende motivering. De gemachtigde van het college heeft op de zitting weliswaar gezegd dat de sociale recherche uit onderzoek is gebleken dat verzoeker waarschijnlijk bij zijn ex-partner woont, maar die bevindingen heeft het college niet overgelegd en daarover beschikt het ook niet, zoals de gemachtigde van het college op de zitting heeft gezegd, zodat de voorzieningenrechter niet kan nagaan of het college op grond van die bevindingen kan vaststellen dat verzoeker een woonadres heeft.

4. In de motivering van het bestreden besluit die het college in het verweerschrift heeft gegeven, namelijk dat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt waar ‘aan de waterkant’ is en hoe lang hij daar verblijft, gaat de voorzieningenrechter niet mee. Verzoeker heeft in het aanmeldformulier van

20 januari 2023 gemeld dat hij momenteel vaak aan de waterkant verblijft met een hengeltje. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van het college had gelegen om die informatie nader te onderzoeken.

Dit proces-verbaal is opgemaakt door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, en mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De griffier heeft het proces-verbaal ook ondertekend, de

voorzieningenrechter is daartoe niet in de gelegenheid.

Griffier

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 12 mei 2023.

Tegen de uitspraak in dit proces-verbaal staat geen hoger beroep of verzet open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.