Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Groningen, 24 januari 2012

ECLI:NL:RBGRO:2012:BV2864Zaaknummer 1277745/FA RK 11-1519

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
24 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
1277745/FA RK 11-1519
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Uitgebreide overwegingen tav de verplichte bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie. Behoeftevaststelling van de jongmeerderjarige. Niet aannemelijk is geworden dat de jongmeerderjarige zich jegens de vader schuldig heeft gemaakt aan dermate grievende handelingen/gedfragingen dat er tussen hen beiden geen sprake meer zou zijn van lotsverbondenheid. Artikel 1:395a en 1:399 BW. Beroep op matigingsbevoegdheid in de zin van laatstgenoemd artikel niet gehonoreerd.

BESLISSING

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2007 en bepaalt dat de man vanaf

1 september 2011 aan de jongmeerderjarige - telkens bij vooruitbetaling (voor zover de termijn niet reeds is verstreken) - aan de jongmeerderjarige als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie een bedrag van € 500,- per maand dient te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, rechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 januari 2012, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.

Volledige tekst

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 127745/FA RK 11-1519

24 januari 2012

in de zaak van:

verzoeker,

hierna te noemen de jongmeerderjarige,

advocaat mr. W.Chr. de Roos,

en

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.H. van der Tol.

PROCESVERLOOP

De jongmeerderjarige heeft op 6 juli 2011 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Daarin wordt verzocht bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de man te veroordelen aan hem maandelijks bij vooruitbetaling ten titel van een tegemoetkoming in zijn kosten van levensonderhoud en studie met ingang van

1 juli 2011 een bedrag te betalen van € 500,- per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Op 19 augustus 2011 heeft de man een verweerschrift ingediend.

Daarin wordt verzocht het verzoek van de jongmeerderjarige af te wijzen, althans de bijdrage van de man in de kosten van diens levensonderhoud en studie op nihil te stellen, dan wel in hoogte te matigen en een bedrag vast te stellen dat de rechtbank juist acht en de ingangsdatum niet eerder te bepalen dan 1 september 2011.

Op 1 september 2011 is ter griffie een brief met bijlagen van dezelfde datum van

mr. De Roos ontvangen.

Ter griffie is op 4 oktober 2011 een brief met bijlagen d.d. 3 oktober 2011 van mr. De Roos ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 11 oktober 2011.

Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen en gehoord.

Mr. Van der Tol heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

RECHTSOVERWEGINGEN

vaststaande feiten

De man is gehuwd geweest met de vrouw.

Uit dat huwelijk is de jongmeerderjarige geboren.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 juni 2007 is de echtscheiding uitgesproken en voormeld huwelijk is op 6 juli 2007 geëindigd door inschrijving van deze beschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Bij voornoemde beschikking is onder meer bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de toen nog minderjarige aan de vrouw een bedrag van € 300,- per maand diende te betalen. Door de wettelijke indexering beloopt deze bijdrage momenteel € 328,82 per maand.

beoordeling

ontvankelijkheid

Nu de jongmeerderjarige aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd dat zich sedert de

beschikking van de rechtbank d.d. 26 juni 2007 wijzigingen van omstandigheden in de zin

van artikel 1:401 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben voorgedaan, kan hij

in zijn verzoek worden ontvangen.

wijziging van omstandigheden

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat er, zoals ook door de jongmeerderjarige is gesteld, sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan de bij voormelde beschikking van 26 juni 2007 vastgestelde alimentatiebijdrage.

De jongmeerderjarige is namelijk met ingang van 1 september 2011 zelfstandig in A. gaan wonen en volgt daar de vijfjarige opleiding Werktuigbouwkunde.

verplichte bijdrage van ouders in de kosten van levensonderhoud en studie

Bij wet van 1 juli 1987 (Stb. 333) waarbij de leeftijd waarop de meerderjarigheid wordt

bereikt werd verlaagd van 21 tot 18 jaar, is in titel 17 van Boek 1 BW artikel 395a

ingevoegd, inhoudende dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van

levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21

jaren niet hebben bereikt. Deze bepaling strekt ertoe de onderhoudsplicht van ouders met

betrekking tot hun kinderen zoals deze bestond vóór de wetswijziging te bestendigen en te

voorkomen dat deze wordt overgeheveld van de ouders naar de Staat.

In artikel 1:395a BW wordt ten aanzien van de groep 18- tot 21-jarigen (de zogenaamde

jongmeerderjarigen) niet, zoals bij minderjarigen gesproken van de verplichting te voorzien

in de kosten van verzorging en opvoeding, maar van de verplichting te voorzien in de kosten

van levensonderhoud en studie.

De regeling ziet in het bijzonder - doch niet uitsluitend - op studerende kinderen.

Invoering van artikel 1:395a BW heeft een situatie gecreëerd waarin

aan 18-, 19- en 20-jarigen wel zelfstandigheid en een eigen verantwoordelijkheid

wordt verschaft, maar waarin de financiële verantwoordelijkheid bij de ouders blijft berusten

indien de jongmeerderjarige vanwege scholing, studie of onvoldoende inkomsten uit arbeid

niet (geheel) zelfstandig in de kosten van levensonderhoud en studie kan voorzien.

de behoefte van de jongmeerderjarige

Nu is komen vast te staan dat de jongmeerderjarige voormelde opleiding volgt, staat zijn

behoefte aan een bijdrage vast.

Ten aanzien van de vaststelling van de behoefte van de jongmeerderjarige oordeelt de

rechtbank als volgt.

Nu er geen landelijke richtlijnen zijn waaruit de behoefte van jongmeerderjarigen kan

worden afgeleid, zoals dit voor minderjarigen wel het geval is, dient in iedere afzonderlijke situatie de omvang van de behoefte te worden bepaald.

Door de jongmeerderjarige is hiertoe een behoefteberekening ingediend, waartegen door de man verweer is gevoerd. De man meent dat de behoefte van de jongmeerderjarige niet hoger is dan € 900,- per maand.

Ter berekening van de behoefte van de jongmeerderjarige rekent de rechtbank met de volgende, voldoende aannemelijk geworden, maandelijkse lasten:

- een kale huurlast van € 400,-;

- kosten voor gas en elektriciteit van € 30,-;

- telefoonkosten van € 50,-;

- kosten van de inboedelverzekering € 10,-;

- kosten lidmaatschappen € 10,-;

- de premie ziektekostenverzekering (basis- en aanvullend) van € 120,-;

- lesgeld en boekengeld € 200,-;

- kosten van levensonderhoud € 200,-;

Op grond hiervan bepaalt de rechtbank de behoefte van de jongmeerderjarige op

€ 1.020,- per maand.

De rechtbank is van oordeel dat de jongmeerderjarige voldoende heeft aangetoond dat

hij thans geen inkomsten uit arbeid genereert en dat het niet aannemelijk is dat hij - gelet

ook op de tijdrovende opleiding die hij volgt - een bijbaantje zal kunnen aannemen.

De jongmeerderjarige beschikt dan ook over geen andere inkomsten dan de niet-betwiste

basisbeurs van DUO van (afgerond) € 266,- per maand en de huidige bijdrage van de man in

zijn kosten van levensonderhoud en studie van € 330,- per maand, in totaal € 596,- per

maand.

Dit betekent dat de jongmeerderjarige een aanvullende behoefte heeft van € 624,- per maand.

De door de jongmeerderjarige verzochte bijdrage van € 500,- per maand overstijgt deze

(aanvullende) behoefte dus niet.

de draagkracht

De man heeft gesteld bereid en in staat te zijn om als bijdrage in de kosten van

levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige het bedrag van € 330,- per maand te

blijven betalen.

De man heeft geen bewijsstukken van zijn financiële situatie overgelegd, maar uit hetgeen

daarover door en/of namens hem naar voren is gebracht is naar het oordeel van de rechtbank

voldoende aannemelijk geworden dat de man ook in staat is om de door de

jongmeerderjarige verzochte bijdrage in voormelde kosten van € 500,- per maand te voldoen.

Uit de overgelegde financiële informatie is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te

staan dat de moeder van de jongmeerderjarige niet over middelen beschikt om ook een

bijdrage in voormelde kosten te leveren en dat niet te verwachten valt dat dit in de

toekomst wèl het geval zal zijn.

Daarbij overweegt de rechtbank dat zelfs wanneer - zoals door de man is gesteld - de vrouw (nog) over vermogen beschikt, de gemeente op een geven moment verhaal zal zoeken ter zake van de verstrekte bijstandsuitkering.

matiging

De onderhoudsplicht van ouders jegens hun meerderjarige kinderen is, in tegenstelling tot de

onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen, niet uitgezonderd van de aan

de rechter verleende matigingsbevoegdheid van artikel 1:399 BW, inhoudende dat de rechter

de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud kan matigen op grond van

zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van

levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd.

De lotsverbondenheid die door het huwelijk van de man en zijn toenmalige echtgenote

(de moeder) is ontstaan en die ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt kan niet

langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting wanneer er sprake is van een

situatie die de matigingsbevoegdheid ex artikel 1:399 BW rechtvaardigt.

De enkele constatering van een grievende bejegening van de onderhoudsplichtige door

degene die alimentatie verzoekt, leidt niet zonder meer tot de gevolgtrekking dat de

lotsverbondenheid niet langer aanwezig is.

Bij de totstandkoming van artikel 1:395a BW is aandacht besteed aan de

matigingsbevoegdheid van de rechter, in het bijzonder in verband met de studiekeuze en

studieresultaten van de jongmeerderjarige. Zo wordt in de memorie van toelichting

opgemerkt dat de matigingsbevoegdheid van de rechter van belang kan zijn wanneer het

meerderjarige kind de studie niet serieus neemt.

Volgens de parlementaire geschiedenis vervalt de onderhoudsplicht slechts in zeer

uitzonderlijke gevallen omdat de onderhoudsplicht niet berust op eerbied en genegenheid

- in welk geval wangedrag natuurlijk de grondslag van de verplichting zou wegnemen - maar

op verwantschap.

De aan de rechter toegekende bevoegdheid tot matiging geeft de rechter een grote mate van beoordelingsvrijheid, waarbij een afweging van belangen gemaakt dient te worden.

De rechtbank stelt voorop dat het niet gaat om waarheidsvinding.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting door en/of namens

partijen naar voren is gebracht blijkt dat er veel is gebeurd, zowel in het leven van de

jongmeerderjarige als van zijn ouders. Dat traject zal de rechtbank niet over doen.

De rechtbank zal zich beperken tot de vraag of er sprake is van zodanige omstandigheden dat

het redelijk is om gebruik te maken van voornoemde matigingsbevoegdheid.

Het hoeven niet persé misdragingen van de onderhoudsgerechtigde te betreffen.

Ook andere gedragingen die grievend zijn voor de onderhoudsplichtige kunnen leiden tot

matiging. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat ook niet het gedrag op zich, maar het

door de onderhoudsgerechtigde bij zodanig gedrag vragen van financiële ondersteuning van

de onderhoudsplichtige, dat een zodanig kwetsend karakter voor laatstgenoemde moet

hebben dat van hem de gevraagde onderhoudsbijdrage in redelijkheid niet of niet ten

volle gevergd kan worden.

In de onderhavige zaak is sprake van een man en een jongmeerderjarige, wier onderlinge

relatie zwaar belast is door de echtscheiding en daarmee samenhangende problematiek

tussen de ouders.

Ten gevolge van gebeurtenissen in het verleden is de relatie tussen de jongmeerderjarige en

zijn vader ernstig verstoord.

De jongmeerderjarige heeft als minderjarige ter oplossing van het loyaliteitsconflict waarin

hij was terechtgekomen, partij gekozen voor zijn moeder, hetgeen hem door de man zeer

kwalijk is en nog wordt genomen.

De man heeft meerdere pogingen ondernomen om weer met de jongmeerderjarige in gesprek

te komen, maar de jongmeerderjarige wil geen contact meer met zijn vader hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat de

jongmeerderjarige zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan dermate grievende

handelingen/gedragingen dat er tussen de man en de jongmeerderjarige geen sprake meer

zou zijn van lotsverbondenheid.

Hetgeen daartoe door en/of namens de man is aangevoerd heeft voornamelijk betrekking

op de heftige (juridische) strijd waarin de man en de moeder van de jongmeerderjarige, over

het hoofd van de jongmeerderjarige heen, al jarenlang zijn verwikkeld.

In deze strijd diskwalificeert men elkaar op soms schokkende wijze, hetgeen ook ter zitting

nog weer eens is gebleken. Dat dit bij alle betrokkenen zijn sporen heeft nagelaten/nalaat

staat vast.

Niet aannemelijk is geworden dat de door de man gestelde psychische en fysieke klachten

die hem beperken in de uitoefening van zijn functie het gevolg zijn van

handelingen/gedragingen van de jongmeerderjarige.

Het enkele weigeren door de jongmeerderjarige van contact met de man vormt naar het

oordeel van de rechtbank geen zelfstandige grond voor de beperking van de

onderhoudsverplichting.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het beroep van

de man op voormelde matigingsgrond niet moet worden gehonoreerd.

Van de man mag worden verwacht dat hij de jongmeerderjarige financieel blijft

ondersteunen, ook om te voorkomen dat de jongmeerderjarige een beroep zal moeten doen

op een rentedragende lening, en wel vanaf 1 september 2011 (de datum waarop de

jongmeerderjarige daadwerkelijk zelfstandig is gaan wonen en zijn huidige studie is gaan

volgen) met het verzochte bedrag van € 500,- per maand zoals hierna in het

dictum is weergegeven.

BESLISSING

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2007 en bepaalt dat de man vanaf

1 september 2011 aan de jongmeerderjarige - telkens bij vooruitbetaling (voor zover de termijn niet reeds is verstreken) - aan de jongmeerderjarige als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud en studie een bedrag van € 500,- per maand dient te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs, rechter en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 januari 2012, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.