Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8330Zaaknummer 24/5730 en 24/5743

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
24/5730 en 24/5743
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van bezwaar vanwege de overschrijding van de bezwaartermijn en beroep tegen besluit waarin het handhavingsverzoek van MOB is afgewezen. Beroepen ongegrond. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Handhavingsverzoek terecht afgewezen. Indirecte lozing. Artikel 6.2 Waterwet.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. M. Duifhuizen, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026

griffiervoorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 24/5730 en 24/5743

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2026

in de zaken tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, MOB

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigden: mr. drs. B.E.G. Wiskerke, ing. [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ),

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:

- Waterschap Brabantse Delta, uit Breda, het waterschap (gemachtigde: [gemachtigde 4])

- SABIC Innovative Plastics B.V., uit Bergen op Zoom, SABIC (gemachtigde: mr. T.N. Sanders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van MOB tegen het besluit waarin de minister het bezwaar van MOB tegen de waterwetvergunning die door de minister is verleend aan het waterschap voor het lozen op de Westerschelde niet-ontvankelijk heeft verklaard (ARN 24/5743). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van MOB tegen het besluit waarin de minister het handhavingsverzoek van MOB heeft afgewezen. In dat handhavingsverzoek stelde MOB dat het waterschap zonder waterwetvergunning PFAS loost op de Westerschelde (ARN 24/5730).

1.1. De minister heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. SABIC heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.

1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van MOB, de gemachtigden van de minister, de gemachtigde van SABIC en de gemachtigde van het waterschap.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten aan de hand van de argumenten die MOB heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

2.1. De rechtbank verklaart de beroepen van MOB ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Achtergrond

Beide zaaknummers

3. SABIC is een bedrijf met vestigingen over de hele wereld. Eén van die locaties is het complex aan de [adres] in Bergen op Zoom. Op dit complex staan meerdere installaties. De eerste fabriek is daar door de rechtsvoorganger van SABIC in 1971 opgericht. Sindsdien worden op het complex hoogwaardige kunststofproducten geproduceerd. De plastics worden verkocht aan de makers van andere producten en komen in veel toepassingen terecht, zoals elektrische apparatuur, veiligheidsbrillen en auto-onderdelen. Het complex in Bergen op Zoom beschikt over een eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie.

3.1. Het afvalwater van SABIC wordt via een leiding getransporteerd naar de afvalwaterpersleiding (AWP) die tussen Moerdijk en de Westerschelde ligt. Deze AWP loopt van het industrieterrein Moerdijk langs onder andere Roosendaal en Bergen op Zoom en transporteert zowel huishoudelijk afvalwater als industrieel afvalwater naar de Westerschelde. Dat afvalwater wordt gezuiverd door de rioolwaterzuivering Bath van het waterschap (RWZI Bath). Tussen de RWZI Bath en de eindlozing van de AWP op de Westerschelde sluit de leiding van SABIC aan op de AWP. Het afvalwater van SABIC wordt dus niet gezuiverd door de RWZI Bath. De AWP mondt bij Waarde uit in de Westerschelde. Op onderstaande afbeelding wordt dit schematisch weergegeven:

3.2. SABIC had voor haar lozing op de AWP een eigen vergunning op grond van de (voormalige) Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).[_3b037a65-f441-47f3-b974-767473a769ce] Deze vergunning is voor het laatst verleend op 23 november 1998. Met het in werking treden van de Waterwet op 22 december 2009 is de Wvo-vergunning van SABIC op basis van de Invoeringswet Waterwet gelijkgesteld met een vergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm) omdat het een zogenoemde indirecte lozing op de AWP betreft.[_470d179a-141c-40ed-b2ac-679d00c75752] Op indirecte lozingen, ofwel lozingen die plaatsvinden via een rioleringsstelsel of een ander werk naar het oppervlaktewater, werd de Wm van toepassing. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant werd het bevoegde gezag (het college van gedeputeerde staten). Deze milieuvergunning voor de indirecte lozing is op grond van het overgangsrecht bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010 vervolgens weer gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting.[_7732ad31-1269-4a89-9263-b935d7063085] Deze vergunning op grond van de Wabo is op basis van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit geworden. Hierbij is nog steeds het college van gedeputeerde staten het bevoegde gezag.

3.3. Op 14 juni 2011 heeft de minister aan het waterschap een vergunning verleend voor het lozen van effluent (afvalwater) afkomstig vanuit de RWZI Bath via de AWP op de Westerschelde (de directe lozing).[_b7555853-d40a-4792-a5fb-646c10650aa1] Op 14 mei 2012 heeft de minister deze vergunning van het waterschap gewijzigd (de waterwetvergunning) en toegevoegd dat het waterschap ook de afvalwaterstroom van twee andere partijen, waaronder SABIC, via de AWP mag lozen op de Westerschelde.

3.4. Op 20 juli 2023 heeft het college van gedeputeerde staten ambtshalve (uit eigen beweging) de in 2002 verleende omgevingsvergunning van SABIC gewijzigd. De wijziging omvat het aan de vergunning toevoegen van voorschriften voor het uitvoeren van onderzoek naar PFBS en overige zeer zorgwekkende stoffen in het afvalwater dat indirect wordt geloosd in de Westerschelde, als mede het reduceren hiervan. Dit besluit is onherroepelijk. Ten behoeve van deze wijziging heeft de minister op 24 januari 2023 een advies uitgebracht aan het college van gedeputeerde staten.

3.5. Op 15 februari 2024 heeft de minister het college van gedeputeerde staten verzocht om de omgevingsvergunning van SABIC te wijzigen. Het verzoek betreft het opnemen van een tijdelijke lozingseis voor PFBS. Met het besluit van 25 maart 2025 heeft het college van gedeputeerde staten de omgevingsvergunning van SABIC gewijzigd. Dit wijzigingsbesluit voegt onder meer een normering toe aan de omgevingsvergunning van SABIC door middel van een maximale jaarvracht op het terrein van SABIC van 2,75 kg PFBS per jaar gemeten met meetmethode in de NEN-ISO-21675. Dit wijzigingsbesluit is door de rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 7 oktober 2025 in stand gelaten.[_f28430ee-cc7e-4e11-89ee-ba49955c1c65]

Zaaknummer ARN 24/5730

3.6. Op 28 november 2023 heeft MOB de minister verzocht om handhavend op te treden tegen de lozing van PFAS door het waterschap op de Westerschelde.

3.7. Op 4 januari 2024 heeft de minister besloten op het handhavingsverzoek van MOB. De minister heeft het handhavingsverzoek van MOB afgewezen omdat het waterschap volgens de minister niet handelt in strijd met haar waterwetvergunning. Er zijn geen voorschriften zoals lozingseisen voor stoffen aan de waterwetvergunning verbonden, omdat het uitgangspunt is dat de lozing van SABIC goed geregeld is in de omgevingsvergunning die is afgegeven door het college van gedeputeerde staten, aldus de minister. Verder heeft de minister de waterwetvergunning als bijlage bij dit besluit gevoegd.

3.8. Op 14 februari 2024 heeft MOB bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 januari 2024.

3.9. In de beslissing op bezwaar van 11 juli 2024 heeft de minister het besluit van 4 januari 2024 in stand gelaten en het bezwaar van MOB ongegrond verklaard. MOB heeft hiertegen beroep ingesteld.

Zaaknummer ARN 24/5743

3.10. Op 15 januari 2024 heeft MOB bezwaar gemaakt tegen de op 14 mei 2012 aan het waterschap verleende waterwetvergunning (zoals hierboven genoemd onder 3.3).

3.11. In de beslissing op bezwaar van 11 juli 2024 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar van MOB buiten de bezwaartermijn is ingediend en deze overschrijding volgens de minister verwijtbaar is. MOB heeft ook hiertegen beroep ingesteld.

Leeswijzer

4. De rechtbank begint in deze uitspraak met de beoordeling van het beroep tegen de beslissing op bezwaar waarin het bezwaar van MOB tegen de waterwetvergunning niet-ontvankelijk is verklaard (ARN 24/5743). Alvorens de rechtbank aan deze beoordeling toekomt zal zij eerst bepalen of SABIC aan deze procedure kan deelnemen als belanghebbende. Daarna gaat de rechtbank in op de stelling van MOB dat de waterwetvergunning nooit in werking is getreden en de stelling van MOB dat haar overschrijding van de termijn om bezwaar te maken tegen de waterwetvergunning verschoonbaar is.

4.1. De rechtbank beoordeelt vervolgens het beroep tegen de beslissing op bezwaar waarin het besluit tot het afwijzen van het handhavingsverzoek in stand is gelaten (ARN 24/5730). Ook hier zal de rechtbank alvorens zij aan deze beoordeling toekomt eerst bepalen of SABIC aan deze procedure kan deelnemen als belanghebbende. Daarna gaat de rechtbank in op de stelling van MOB dat de minister ten onrechte heeft besloten dat geen sprake is van een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet.

ARN 24/5743

Is SABIC ten onrechte aangemerkt als derde-belanghebbende bij onderhavige procedure?

5. De rechtbank gaat eerst in op de vraag of de rechtbank SABIC ten onrechte als derde-belanghebbende heeft aangemerkt in procedure ARN 24/5743.

5.1.

MOB heeft betoogt dat SABIC niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in procedure ARN 24/5743. MOB heeft ter zitting gesteld dat de vraag of het bezwaar van MOB wel of niet terecht niet-ontvankelijk is verklaard, SABIC niet betreft. Daarbij heeft MOB opgemerkt dat SABIC alleen in een mogelijke vervolgprocedure tegen de waterwetvergunning mee zou kunnen doen.

5.2.

Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de rechtbank bevoegd om tot de sluiting van het onderzoek ter zitting belanghebbenden in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om van een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen spreken moet er een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van het besluit en de belangen van de partij.

5.3.

De rechtbank overweegt dat zij in deze procedure (ARN 24/5743) de vraag moet beantwoorden of de minister terecht heeft besloten dat de termijnoverschrijding van MOB niet verschoonbaar is. Bij deze beoordeling is onder meer de omstandigheid relevant of de rechtszekerheid van actuele of potentiële derden met een tegengesteld belang in het geding zijn.[_2776be85-8d06-4332-9fc0-734ce2c0027d] In dit geval heeft SABIC een belang bij het in rechte vaststaan van de waterwetvergunning van het waterschap, omdat het waterschap (onder meer) het afvalwater van SABIC middels de AWP (direct) loost op de Westerschelde. Daaropvolgend moet SABIC dan ook de mogelijkheid hebben om haar belang bij het in rechte blijven vaststaan van deze waterwetvergunning kunnen toelichten in de betreffende procedure.

5.4.

De rechtbank heeft SABIC daarom in deze procedure als derde-belanghebbende aangemerkt en zal de inbreng van SABIC dan ook betrekken bij haar oordeel.

Is de waterwetvergunning in werking getreden?

6. MOB betoogt dat de waterwetvergunning niet in werking is getreden. Volgens MOB zijn er namelijk aanknopingspunten dat de waterwetvergunning niet is toegezonden aan het waterschap. Dat betekent dat de waterwetvergunning niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. MOB stelt dat uit de door de minister overgelegde stukken niet blijkt dat de waterwetvergunning aan het waterschap is gezonden. Ook in het verslag van de hoorzitting in bezwaar is opgenomen dat het waterschap niet kon bevestigen dat de waterwetvergunning is ontvangen. Verder stelt MOB dat de adressering van waterwetvergunning onjuist is. De waterwetvergunning is namelijk gericht aan ‘het dagelijks bestuur’ en niet aan het ‘waterschap’. Ook stelt MOB dat de waterwetvergunning in twee afzonderlijke Woo-procedures niet is verstrekt, maar daarentegen enkel werd verstrekt toen uitdrukkelijk is verzocht om de stukken die zien op de voorbereiding van en de correspondentie over besluiten.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de AWP van het waterschap geen inrichting betreft. Daarom waren op grond van artikel 6.1b, van het Waterbesluit, afdeling 3.4 van de Awb en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op de totstandkoming van de waterwetvergunning. De zogenoemde reguliere voorbereidingsprocedure als bedoeld in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Awb was daarom van toepassing op de waterwetvergunning.

6.2.

Artikel 3:40 van de Awb luidt: ‘Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.’

Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb luidt: ‘De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.’

6.3.

De minister heeft de brief van 14 mei 2012 en de daarbij behorende minuut in het geding gebracht. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters dat, ingeval de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering, een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.[_59071e57-deba-4720-b9c4-761befd6f0b5] Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.[_04a2fc33-3a9e-4195-aa2c-ec6da2675d07]

6.3.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de waterwetvergunning in 2012 is verleend. Het gaat slechts om de vraag of deze verleende vergunning vervolgens ook is verzonden en ontvangen. Daarbij wijkt deze zaak af van de meeste zaken waarin de verzending en ontvangst van een besluit worden betwist. De verzender van de waterwetvergunning (de minister) en de geadresseerde (het waterschap) betwisten dat in dit geval namelijk niet. Het is een derde-partij (MOB) die dat ruim elf en een half jaar later in twijfel riep. Daargelaten of deze beroepsgrond voldoet aan het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de waterwetvergunning destijds is verzonden aan het waterschap.

6.4.

Daartoe acht de rechtbank van belang dat de adressering van de begeleidende brief bij de waterwetvergunning juist is, er een minuut voorzien van een verzenddatum en een ondertekening is overgelegd en dat de datum van de begeleidende brief en de verzending overeenkomen. Het waterschap ontkent ook niet dat de waterwetvergunning is ontvangen. MOB heeft daarentegen geen feiten aangedragen op grond waarvan de ontvangst van de waterwetvergunning door het waterschap redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De omstandigheid dat het waterschap niet kan bevestigen dat de waterwetvergunning destijds is ontvangen en de vergunning niet kon vinden in het archief, is geen omstandigheid waardoor de ontvangst van de waterwetvergunning redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het betreft immers een waterwetvergunning van veertien jaar geleden. De stelling dat de waterwetvergunning was gericht aan het dagelijks bestuur van het waterschap is ook geen omstandigheid dat de ontvangst van de waterwetvergunning bij het waterschap kan worden betwijfeld. De adressering op de begeleidende brief is namelijk juist en dat al dan niet terecht het bestuursorgaan in plaats van de publiekrechtelijke rechtspersoon is genoemd brengt daarin geen verandering. Dat de waterwetvergunning niet in de eerdere gedane Woo-besluiten zou zijn verstrekt aan MOB, ook als dat betoog juist zou zijn, maakt niet dat dit een omstandigheid is dat de waterwetvergunning niet destijds is verzonden aan het waterschap. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de waterwetvergunning wel is verstrekt bij het besluit waarin het handhavingsverzoek van MOB is afgewezen.

6.5.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de waterwetvergunning op 14 mei 2012 is gezonden aan het waterschap en daarmee op een juiste wijze bekend is gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de waterwetvergunning die dag in werking is getreden. Gelet daarop komt de rechtbank toe aan de beoordeling of de minister heeft kunnen besluiten dat MOB in verzuim was, door pas op 14 februari 2024, 11 jaar en 10 maanden na de inwerkingtreding van het waterwetvergunning, bezwaar te maken.

Heeft de minister terecht besloten dat MOB in verzuim is geweest?

7. MOB betoogt dat de minister ten onrechte heeft besloten dat overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Volgens MOB is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. MOB acht daartoe de volgende feiten en omstandigheden van belang. Ten eerste stelt MOB dat de waterwetvergunning van grote betekenis is. Zo meent de minister dat met de waterwetvergunning de lozing van iedere afvalstof is vergund, aldus MOB. Ten tweede stelt MOB dat het voor haar niet mogelijk was om eerder te weten dat de waterwetvergunning bestond. De waterwetvergunning is namelijk niet openbaar bekend gemaakt en hierdoor heeft MOB buiten haar schuld geen inspraak kunnen plegen en niet eerder rechtsmiddelen kunnen aanwenden tegen de waterwetvergunning. Ten derde stelt MOB dat er geen objectieve aanleiding was voor MOB om naar het bestaan van de waterwetvergunning te informeren. Zo is de lozing van PFBS via de effluentleiding niet zichtbaar en detecteerbaar en was er ook geen objectieve aanleiding om zelf metingen uit te voeren, aldus MOB. Ten slotte stelt MOB dat ook het college van gedeputeerde staten en de minister niet op de hoogte waren van de lozing van PFBS en dat de minister onjuiste informatie heeft verstrekt over de lozingsroute, de daarmee verbonden vergunningplicht en de waterwetvergunning zelf.

7.1.

Artikel 6:11 van de Awb luidt:

‘‘Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkheidverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.’’

7.2.

De termijn voor het instellen van bezwaar tegen de waterwetvergunning is op 15 mei 2012 aangevangen en 6 weken daarna geëindigd. Niet in geschil is dat het namens MOB ingediende bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn en daarmee te laat is ingediend. Ter beoordeling ligt voor of het college van niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar had moeten afzien omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat MOB in verzuim is geweest.[_53358f03-f8d8-473a-b5fb-a0ed1e21a182]

7.3.

Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. In gevallen waarin een belanghebbende (de geadresseerde van het besluit of een derde) pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar- of beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, is die belanghebbende in ieder geval niet verwijtbaar te laat als hij dat doet binnen zes weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken.[_fd3befcd-057c-4e0f-bbf5-1b0b1de3e2cf] Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.

7.4.

Bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb moet voor ogen worden gehouden dat het om een gebonden bevoegdheid gaat. Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het rechtsmiddel niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn.[_845d91f3-0f9b-4375-b347-51dab477092e] Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat de stelling van MOB dat de waterwetvergunning van groot belang is, ook als dat betoog juist is, geen rol kan spelen in de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

7.5.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de overschrijding van de bezwaartermijn door MOB, niet verschoonbaar is. Hiertoe acht de rechtbank het volgende van belang. Hiervoor is al geoordeeld dat de waterwetvergunning op correcte wijze bekend is gemaakt en niet in geschil is dat MOB pas daadwerkelijk kennis heeft genomen van dat besluit toen de bezwaartermijn al was verstreken. Beoordeeld moet dus worden of MOB eerder kennis had kúnnen nemen van dat besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.

Zoals hiervoor onder 3.2. weergegeven zijn in het verleden, voor het laatst in 1998, aan voorganger(s) van SABIC vergunningen verleend voor het lozen op de Westerschelde. Deze vergunningen waren gebaseerd op de Wvo. De Wvo-vergunning van 1998 is in 2009 gelijkgesteld met een vergunning op grond van de Wm omdat het een zogenoemde indirecte lozing betrof, een lozing die plaatsvindt via een rioleringsstelsel of een ander werk naar het oppervlaktewater. MOB had gelet op deze omstandigheden al vanaf 2009 en 2012 objectieve aanleiding kunnen zien om navraag te doen naar het bestaan van een vergunning voor de eindlozing van het water van SABIC. Het was immers duidelijk dat die er zou moeten zijn, omdat bekend was SABIC als groot petrochemisch bedrijf indirect op de Westerschelde loosde en dat daarvoor een separate vergunning nodig was. Dat de waterwetvergunning niet gepubliceerd was in de Staatscourant doet aan het voorgaande niets af omdat dat niet vereist was. MOB had dit kunnen weten omdat het een landelijk opererende belangenorganisatie is die al lange tijd actief is op het gebied van het milieubeschermingsrecht en veelvuldig procedeert tegen overheidsbesluiten. Hierbij wordt MOB ook bijgestaan door professionele en deskundig te achten belangenbehartigers die haar van juridisch advies voorzien. MOB had dus al vanaf 2009 en 2012 kunnen beseffen dat ook voor de lozing vanaf de AWP op de Westerschelde een vergunning aanwezig moest zijn. Verder acht de rechtbank van belang dat sprake is van een grote overschrijding van de bezwaartermijn, namelijk ruim elf en een half jaar. De stelling van MOB dat in de waterwetvergunning niets is opgenomen over PFBS, ook als dat betoog juist zou zijn, kan niet tot gevolg hebben dat daarom de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Voor zover MOB met deze stelling betoogt dat zij pas belang kreeg bij een bezwaar tegen een waterwetvergunning nadat de gevaren van PFBS wereldwijd duidelijk werden en omstreeks 2022 bleek dat er via de AWP van het waterschap PFBS wordt geloosd in de Westerschelde, slaagt dat evenmin. Dat pas later een reden ontstaat om bezwaar te maken tegen een verleende vergunning, maakt een termijnoverschrijding namelijk niet verschoonbaar.[_214db878-f2b3-479e-bddb-af6f5875b993]

7.6.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister terecht heeft besloten dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Dit heeft tot gevolg dat de waterwetvergunning onherroepelijk is. De stelling van MOB dat de waterwetvergunning in strijd met het verdrag van Aarhus tot stand is gekomen slaagt evenmin. MOB heeft namelijk niet toegelicht waarom het verdrag van Aarhus zich ertegen verzet dat een bezwaar van een derde tegen een verleende vergunning niet-ontvankelijk wordt verklaard als die derde dat bezwaar verwijtbaar pas jaren na het verstrijken van de bezwaartermijn heeft ingediend.

Conclusie in zaak 24/5743

8. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen is het beroep van MOB ongegrond. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding van MOB niet verschoonbaar is en het bezwaar van MOB tegen de waterwetvergunning terecht niet-ontvankelijk verklaard.

ARN 24/5730

Is SABIC ten onrechte aangemerkt als derde-belanghebbende bij onderhavige procedure?

9. De rechtbank gaat ook in deze procedure eerst in op de vraag of de rechtbank SABIC ten onrechte als derde-belanghebbende heeft aangemerkt.

9.1.

MOB betoogt dat SABIC niet kan worden aangemerkt als belanghebbende omdat zij geen direct belang heeft bij deze procedure. MOB stelt dat in de onderhavige procedure alleen het waterschap aangemerkt moet worden als derde-belanghebbende. Het gaat namelijk om de lozing van het waterschap en deze lozing bestaat uit een veelheid aan stoffen afkomstig van verschillende bedrijven, aldus MOB.

9.2.

SABIC voert hierover aan dat haar belang wel rechtstreeks is betrokken bij deze procedure. De reden hiervoor is dat in deze procedure de beslissing op bezwaar centraal staat die betrekking heeft op een verzoek om handhavend op te treden tegen de lozing van PFAS-achtige stoffen op de Westerschelde en dit het afvalwater van SABIC betreft, aldus SABIC. Verder acht SABIC ook van belang dat MOB in deze procedure onder meer ter discussie stelt dat er samenhang bestaat tussen de vergunning voor de indirecte lozing die is verleend aan SABIC en de waterwetvergunning voor de directe lozing die is verleend aan het waterschap.[_41b52d86-157a-4e29-8636-b0de828c0637]

9.3.

De rechtbank overweegt dat SABIC, als bedrijf dat direct loost op de AWP, via de rechtsverhouding met het waterschap gevolgen kan ondervinden van een mogelijk handhavend optreden jegens het waterschap. Het belang van SABIC is echter van een andere aard dan het belang van het waterschap. SABIC komt op voor haar belang bij verwijdering van het PFAS-houdende afvalwater van haar terrein. Mogelijk handhavend optreden jegens het waterschap omdat er PFAS-achtige stoffen worden geloosd via de AWP, raakt direct dat belang. SABIC kan bij handhavend optreden jegens het waterschap geen PFAS-achtige stoffen meer lozen op de AWP en daarmee wordt de eigendomspositie en de bedrijfsvoering van SABIC geraakt. Gelet hierop is het belang van SABIC rechtstreeks bij de beslissing op bezwaar betrokken. SABIC moet daarom als belanghebbende worden aangemerkt bij deze procedure.[_18a3e24f-af6d-404e-8e50-acb3f6a65e43]

Reikwijdte handhavingsverzoek

10. Op de zitting heeft MOB de stelling ingenomen dat het haar gaat om de totale lozing van PFAS door het Waterschap en dat naast SABIC ook andere bedrijven via de RWZI op de Westerschelde lozen. Er vindt namelijk cumulatie en vermenging van die verschillende lozingen plaats. De minister moet volgens MOB ook die lozingen meenemen in een ten nemen handhavingsbesluit.

10.1.

Voor zover MOB met deze stelling haar handhavingsverzoek wil uitbreiden tot de lozingen die niet van SABIC maar van de andere bedrijven afkomstig zijn valt dit naar het oordeel van de rechtbank buiten de reikwijdte van het handhavingsverzoek en daarmee buiten de reikwijdte van onderhavige procedure. Het is immers vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding.[_4a02bdce-4057-4dc8-9f84-ec65255b1e45]

10.2.

De rechtbank stelt vast dat MOB onder meer het volgende heeft opgenomen in haar handhavingsverzoek:

‘A. Aanleiding

Eerder heb ik u eerder verzocht informatie openbaar te maken over de emissie van PFAS door SABIC Innovative Plastics. Ik heb u daarbij onder meer gevraagd om alle vigerende vergunningen openbaar te maken die betrekking hebben op de lozing van PFAS.’

10.3.

In het primaire besluit van 4 januari 2024 waarin het handhavingsverzoek van MOB is afgewezen door de minister is, onder meer, het volgende opgenomen:

‘In uw brief geeft u aan dat uit de stukken die u van Rijkswaterstaat Zee en Delta (verder: RWS ZD) heeft ontvangen, blijkt dat het waterschap het met PFAS verontreinigd afvalwater van SABIC loost op de Westerschelde. Omdat u geen vigerende vergunning van het waterschap heeft ontvangen, gaat u er van uit dat het waterschap het afvalwater van SABIC loost zonder vergunning.’

10.4.

In de beslissing op het bezwaar van de minister is, onder meer, het volgende opgenomen:

‘Dit bezwaar is gericht tegen de beschikking van 4 januari 2024, met kenmerk RWS-2024/437, waarbij het verzoek tot handhaving d.d. 28 november 2023 met betrekking tot de lozing van PFAS-achtige stoffen met het afvalwater van SABIC door het Waterschap Brabantse Delta (hierna: ‘‘het waterschap’’)’

10.5.

De rechtbank overweegt dat het handhavingsverzoek van MOB gericht was op SABIC en de lozing van PFAS door het waterschap als gevolg van de emissie van PFAS door SABIC. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat MOB in haar handhavingsverzoek uitdrukkelijk de emissie van PFAS door SABIC noemt en MOB het handhavingsverzoek heeft opgesteld naar aanleiding van een eerder verzoek tot informatie in een Woo-procedure. Blijkens het Woo-besluit van 17 augustus 2023 van de minister is informatie openbaar gemaakt die inzicht geeft over de productie, het gebruik en lozing van PFAS zoals PFOA, PFOS, GenX of aanverwante stoffen door SABIC. Dit voorgaande wordt daaropvolgend genoemd in het primaire besluit van 4 januari 2024 en daaropvolgende beslissing op bezwaar. Omdat het handhavingsverzoek en het primaire besluit alleen zijn gericht op de lozingen van SABIC, kan het verzoek in deze procedure thans niet meer worden uitgebreid tot lozingen van andere bedrijven via de RWZI.

10.6.

Voor zover MOB met haar stelling bedoelt dat binnen de beoordeling van het handhavingsverzoek tegen de lozing door SABIC meer rekening had moeten worden gehouden met mogelijke cumulatie van PFAS-achtige stoffen, is dat wel een aspect van het oorspronkelijke handhavingsverzoek. Dat betoog neemt de rechtbank hierna mee in de beoordeling.

Welke vergunningen zijn van toepassing op de lozing van de afvalstroom van SABIC?

De waterwetvergunning

11. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet is het verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij:

a. een daartoe strekkende vergunning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap;

b. daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur;

c. artikel 6.3, eerste tot en met derde lid, van toepassing is.

In artikel 6.1 van de Waterwet is bepaald, voor zover hier van belang, dat in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, wordt verstaan onder:lozen: brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk;stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen.

11.1.

In de waterwetvergunning van het waterschap is, onder meer, het volgende opgenomen:

‘4. Overwegingen

4.1

ambtshalve wijziging

De lozing van afvalwater door bedrijven die niet rechtstreeks geschiedt op een oppervlaktewaterlichaam, is vergunningplichtig op grond van de Wabo (de zgn. indirecte lozingen). Indien deze lozing geschiedt op een werk (AWP) die in beheer of eigendom is bij derden, is de uiteindelijke lozing van dit afvalwater op het oppervlaktewaterlichaam vergunningplichtig op grond van de Waterwet. In het voorliggende geval zijn er naast de lozing van het waterschap twee bedrijven die hun afvalwater lozen op de AWP van Waterschap Brabantse Delta. De vergunning van het waterschap wordt ambtshalve gewijzigd, waarbij ook de lozing van het effluent van deze twee bedrijven op de Westerschelde wordt opgenomen.

(…)

4.3

Overzicht afvalstromen

De lozing betreft het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van de volgende afvalwaterstromen/stoffen. Afvalwater afkomstig van de volgende bedrijven:

  • Waterschap Brabantse Delta met een hoeveelheid van 40.000.000 m³/jaar;
  • Sabic B.V. met een hoeveelheid van 211.200 m³/jaar;
  • [bedrijf] B.V. met een hoeveelheid van 70.000 m³/jaar.

Het (gezuiverde) afvalwater van deze bedrijven wordt via een drukput op de AWP en vervolgens op de Westerschelde geloosd. (…) Voor deze lozing wordt geen meetpunt opgenomen, meting van het (ongemengde) afvalwater vindt al afzonderlijk bij de bedrijven en het waterschap plaats.’

11.2.

De rechtbank stelt vast dat het waterschap, gelet op de hierboven opgenomen passages uit de waterwetvergunning, toestemming heeft voor het lozen van 211.200 m³/jaar afvalwaterstroom/stoffen van SABIC.

De milieuvergunning

12. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in werking hebben van een inrichting.

Zoals onder overweging 3.2 is vastgesteld is op grond van het overgangsrecht van de Wabo de eerder verleende toestemming voor de indirecte lozing van SABIC op de AWP gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (de milieuvergunning).

12.1.

Op 20 juli 2023 heeft het college van gedeputeerde staten de milieuvergunning van SABIC ambtshalve gewijzigd.[_87375cc8-99ab-485a-9874-fc9744037d10] In dit besluit is onder meer het volgende opgenomen:

‘Besluit

Wij besluiten om, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en

gelet op artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 1.1, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer (Wm) de verleende omgevingsvergunning met kenmerk 823176 van 2 april 2002 te wijzigen. De wijziging omvat het aan de vergunning toevoegen van voorschriften voor het uitvoeren van onderzoek naar (Perfluorbutaansulfonzuur) PFBS en overige zeer zorgwekkende stoffen in het afvalwater dat indirect wordt geloosd in de Westerschelde, alsmede het reduceren hiervan.’

12.2.

De rechtbank stelt vast dat de indirecte lozing van PFBS door SABIC in ieder geval is vergund in het besluit tot wijziging van de milieuvergunning van SABIC van 20 juli 2023.[_620aeef0-b1a2-4d59-911f-a48db6c792e0] In het daaropvolgende wijzigingsbesluit van 25 maart 2025 hebben gedeputeerde staten, op verzoek van de minister een tijdelijke lozingseis voor PFBS opgenomen in de milieuvergunning. Dit betreft een maximale jaarvracht op het terrein van SABIC van 2,75 kg PFBS per jaar gemeten met de meetmethode uit de NEN-ISO-21675. Hiertegen heeft SABIC beroep ingesteld, maar het wijzigingsbesluit van 25 maart 2025 is door de rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 7 oktober 2025 in stand gelaten.[_89e44f6e-7854-4b47-817b-0ff63bc00471]

Heeft de minister kunnen besluiten dat het waterschap niet in strijd handelt met artikel 6.2 van de Waterwet?

13. MOB betoogt dat op grond van de waterwetvergunning geen PFAS-achtige stoffen mogen worden geloosd door het waterschap in de Westerschelde. MOB stelt dat in de waterwetvergunning PFAS-achtige stoffen niet worden genoemd en dat daarom de lozing hiervan niet expliciet is vergund. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst MOB onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019[_48c01b34-a140-4a6c-8892-5bed34e6e7fc] waaruit volgens haar volgt dat een lozing voor het brengen van stoffen in het oppervlaktewater moet worden aangevraagd voor specifieke stoffen. Verder stelt MOB dat de lozing van PFAS-achtige stoffen ook niet indirect is vergund. Het bestaan voor een vergunning voor een indirecte lozing doet niets af aan de vergunningplicht voor de directe lozing en die ontbreekt, aldus MOB. MOB volgt niet de stelling van de minister dat in dit geval sprake zou zijn van een uitzondering waarbij twee vergunningplichten samenvallen. Deze stelling volgt niet uit enige wet en in de waterwetvergunning is een andere lozing beoordeeld, namelijk de lozing van afvalwater uit de RWZI Bath, aldus MOB. Verder stelt MOB dat het adviesrecht van de minister niets afdoet aan de werking van artikel 6.2 van de Waterwet. In artikel 2.26 van de Wabo is namelijk niet opgenomen dat artikel 6.2 van de Waterwet zijn werking verliest in die gevallen waar advies is gegeven op een Wabo-vergunning en hoeft een gegeven advies ook niet dwingend opgevolgd te worden, aldus MOB.

13.1.

De minister voert hierover aan dat geen waterwetvergunning is vereist voor de lozing van het afvalwater van SABIC voor zover dat PFBS bevat. De minister stelt dat de lozing van PFBS op de Westerschelde is gereguleerd middels het (ambtshalve) besluit van 20 juli 2023 waarin de milieuvergunning van SABIC is gewijzigd. De (onderzoeks)voorschriften uit dit besluit hebben vervolgensgeresulteerd in het besluit van 25 maart 2025 waarin aan de milieuvergunning van SABIC een lozingseis is toegevoegd voor PFBS. Daarom zijn een nadere toets en het opnemen van lozingseisen op grond van de Waterwet in een waterwetvergunning voor de eindlozing niet noodzakelijk, aldus de minister. Volgens hem kan uit de wetssystematiek en de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat gelet op de getrapte wijze van vergunningverlening onder de Wabo en de Waterwet, de effecten van de lozing van SABIC op het oppervlaktewater reeds afdoende inhoudelijk worden getoetst bij de verlening van de Wabo-vergunning. Verder stelt de minister dat er geen inhoudelijk verschil zit tussen de toetsing die op grond van de Wabo plaatsvindt en de toetsing zoals die plaats zou vinden in het geval PFBS rechtstreeks wordt geloosd op de Westerschelde. Gelet hierop is volgens de minister de aangehaalde rechtspraak door MOB niet van toepassing op onderhavige situatie. Voor handhaving op grond van de waterwetvergunning bestaat in dit geval pas ruimte wanneer het college van gedeputeerde staten (als bevoegd gezag voor de milieuvergunning) geen gevolg geeft aan het door de minister gegeven advies of wanneer uit monstername van de eindlozing zou blijken dat de stof die SABIC loost bij menging met stoffen uit een andere indirecte lozing tot gevolg heeft dat een nieuwe stof ontstaat die niet werd voorzien bij de beoordeling van de indirecte lozing. De lozing van PFBS door SABIC wordt bij het samenkomen met de lozing van de deelstroom vanuit de RWZI, in de eindlozing louter verdund, aldus de minister. De beoordeling van de menging van stoffen in de eindlozing kan en moet al zijn beoordeeld in de Wabo-procedure. Bij de beoordeling van de indirecte lozing op grond van de Wabo wordt namelijk al getoetst wat de gevolgen van de lozing zijn voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en bij deze beoordeling is de minister al reeds betrokken als adviseur, aldus de minister. Voor zover MOB stelt dat het adviesrecht niets afdoet aan de werking van artikel 6.2 van de Waterwet merkt de minister op dat dit inderdaad het geval is, maar dit niet tot gevolg heeft dat de waterwetvergunning moet worden gewijzigd. De toelaatbaarheid van de lozing van PFBS op het oppervlaktewater is volgens de minister reeds door de minister beoordeeld op grond van het adviesrecht bij het besluit tot ambtshalve wijzigen van de milieuvergunning van SABIC, aldus de minister. Verder stelt de minister dat, anders dan MOB stelt, het advies van de minister wel dwingend is.[_97732ab8-5e97-4f3a-85d8-f641031d4cbc]

13.2.

In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen:

‘In onderhavige situatie wordt de indirecte lozing van verontreinigd water aldus

voorkomen en gereguleerd door de lozing van de stoffen inhoudelijk te beoordelen en voorschriften met lozingseisen te stellen in de WABO-vergunning ter zake waarvan ik op grond van artikel 2.26 WABO een adviesrecht heb dat, voor wat betreft de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, verplicht dient te worden opgevolgd. Voor de directe lozing kan om die reden worden volstaan met een generieke beoordeling van de toelaatbaarheid van de lozing en kan dus een vergunning zonder een dergelijke inhoudelijke stoffenbeoordeling en zonder voorschriften met lozingseisen worden verleend, zoals in casu is geschied.

Afwijking van deze in de interne AVGH-notitie neergelegde werkwijze zou leiden tot het zogenoemde "dubbel vergunnen" van wat, zeker nu Sabic het enige bedrijf is dat via de effluentleiding loost, dezelfde afvalstroom is die al in de WABO-vergunning is beoordeeld. Dit is dan ook de reden dat in de Waterwetvergunning van 14 mei 2012 enkel de stroom van afvalwater van Sabic wordt vergund en geen specifieke stoffen worden benoemd of lozingseisen worden gesteld, aangezien dat reeds, middels het adviesrecht ter zake de effecten van de lozing op het oppervlaktewater, is geborgd in de WABO-vergunning. Gelet hierop kan dus niet worden gesteld dat vanwege het feit dat in de eindlozing PFBS is en wordt aangetroffen, het waterschap een overtreding begaat.’

13.3.

Artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c en onder 4, van de Wabo luidt:

‘1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e: neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;

Artikel 2.26, eerste lid, van de Wabo luidt:

‘Naar aanleiding van een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, waarbij vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, stelt het bevoegd gezag het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van het zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, of het oppervlaktewater waarop het afvalwater vanuit die voorziening wordt gebracht, in de gelegenheid advies uit te brengen.’

Artikel 5.20, eerste lid, van de Wabo luidt: ‘Een bestuursorgaan dat bij de totstandkoming van de vergunning of ontheffing bevoegd was een verklaring als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, te geven of advies uit te brengen kan een bestuursorgaan dat op grond van dit hoofdstuk bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.’

Artikel 6.26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterwet luidt:

‘Op vergunningen voor het lozen van storten van stoffen zijn de volgende bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing: a. 2.14, eerste lid en derde tot en met zesde lid.’

13.4.

In de memorie van toelichting bij de Wabo en de Waterwet is, onder meer, het volgende opgenomen:

‘De regels voor indirecte lozingen zullen in de toekomst uitsluitend op de Wet milieubeheer worden gebaseerd en zullen - zoals thans voor de meeste indirecte lozingen al het geval is -mede betrekking hebben op de bescherming van het oppervlaktewater en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Voorwaarde is wel dat de waterbeheerder, die tot nu toe bevoegd gezag was voor deze indirecte lozingen, voldoende zeggenschap moet hebben over de regulering en handhaving ervan. Dit volgt uit zijn verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit en het beheer van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en is tevens van wezenlijk belang met het oog op de opgaven vanuit de kaderrichtlijn water. Ook is het van belang dat de capaciteit en deskundigheid bij waterbeheerders behouden blijft en effectief kan worden ingezet. De waterbeheerder zal daarom in kader van het verlenen van vergunningen op basis van de Wm-vergunning/omgevingsvergunning een adviesrecht krijgen. Het advies kan daarbij betrekking hebben op alle indirecte lozingen, maar ook op

andere aspecten die voor de bescherming van het oppervlaktewater van belang zijn. Indien de waterbeheerder aangeeft dat door het verlenen van de vergunning de doelmatige werking van rioolwaterzuiveringsinstallatie zou worden belemmerd of het bereiken van de waterkwaliteitsdoelstellingen in het geding komt, en dus aanvullende voorschriften/beperkingen moeten worden opgelegd of de vergunning moet worden geweigerd, wordt het bevoegd gezag voor de Wm-vergunning/omgevingsvergunning verplicht daaraan gevolg te geven. Met betrekking tot de handhaving zal in de wetgeving worden bepaald, dat waterbeheerders toezicht kunnen houden op indirecte lozingen. Daardoor hoeft er niet eerst een aanwijzing door het bevoegd gezag voor de Wm-vergunning/ omgevingsvergunning plaats te vinden. Bestuursrechtelijk sanctionerend optreden vindt plaats via het bevoegd gezag voor de Wm-vergunning/omgevingsvergunning en kan dus niet zelfstandig door de waterbeheerder plaatsvinden. De waterbeheerder kan het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning wel verzoeken om sanctionerend op te treden. Wanneer dit nodig is, omdat als gevolg van het niet naleven van de vergunning de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of grenswaarden worden overschreden, moet het bevoegd gezag voor de Wm-vergunning/ omgevingsvergunning aan het handhavingsverzoek gevolg geven.’ [_03ab239c-a014-4927-ba43-b7d980d80b34]

13.5.

De rechtbank stelt vast dat de minister, in de procedure bij de totstandkoming van het besluit tot wijziging van de milieuvergunning van SABIC van 20 juli 2023, op 24 januari 2023 het college van gedeputeerde staten heeft geadviseerd. In dit advies heeft de minister onder meer het volgende opgenomen:

‘Sabic heeft in het verleden geen vergunning gevraagd voor het lozen van PFAS. In

de vigerende vergunning is dan ook geen aandacht besteed aan het lozen van PFBS.

1.2

Heden

Sabic heeft op 15 mei 2020 een aanvraag voor een nieuwe vergunning op grond van de Wabo ingediend. Het betreft een zogenaamde aanvraag voor een Revisievergunning. Dit betekent voor de lozing op de Westerschelde dat alle voorschriften vervangen gaan worden door nieuwe voorschriften. In mei 2022 is duidelijk geworden dat Sabic PFAS loost. In september 2022 heeft Sabic de aanvraag van 15 mei 2020 aangevuld met informatie over de lozing van PFBS.

(…)

7 Vervolg

De ambtshalve wijzigingsprocedure zat enkele maanden in beslag nemen. De

nieuwe voorschriften zullen naar verwachting in april 2023 in werking treden. Dit is

rekening houdend met de terinzagelegging van een ontwerpbesluit gedurende 6

weken en de mogelijkheid voor het naar voren brengen van zienswijzen door

eenieder

(…)

Daarnaast loopt de aanvraagprocedure voor een revisievergunning ook verder. De

(mogelijke) lozing van ZZS waar onder de lozing van PFBS in het oppervlaktewater

van de Westerschelde, zijn hierin ook belangrijke onderwerpen. De afdeling Vergunningverlening van Rijkswaterstaat Zee en Delta is ook hiervoor wat betreft de

lozing op de Westerschelde al nauw bij betrokken en zal advies geven. Wanneer de

revisievergunning wordt verleend, zal deze wijzigingsvergunning komen te vervallen. Een revisievergunning komt namelijk altijd in de plaats van de op dat moment geldende vergunning met bijbehorende wijzigingsbesluiten.’

In het wijzigingsbesluit van 20 juli 2023 is het volgende opgenomen met betrekking tot bovengenoemd advies van de minister:

‘1.7 Advies

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij advies gevraagd aan Rijkswaterstaat Zee en Delta. Rijkswaterstaat heeft op 24 januari 2023 advies aan ons uitgebracht. Dit advies is, met uitzondering van voorschrift 3 uit dit advies, verwerkt in de voorschriften en de overwegingen behorende bij de deze beschikking. Het door Rijkswaterstaat geadviseerde voorschrift 3 vraagt om een melding bij het bevoegd gezag van iedere batch met afvalwater die PFBS kan bevatten. De lozing is batchgewijs maar vindt meerdere keren per dag binnen de inrichting plaats, dit leidt tot een vrij continue stroom van PFBS via LXF/AWP. Een meldingsplicht heeft in dit geval geen toegevoegde waarde en leidt feitelijk tot een verzwaring van administratieve lasten voor SABIC en voor ons als bevoegd gezag. Wel voeren wij maandelijks controlemetingen uit naar PFBS in het afvalwater van SABIC.’

13.6.

De minister heeft, in de procedure bij de totstandkoming van het wijzigingsbesluit van 25 maart 2025, op 13 februari 2024 het college van gedeputeerde staten wederom geadviseerd. In dit advies heeft de minister onder meer het volgende opgenomen:‘De minister van Infrastructuur en Waterstaat adviseert Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de het volgende voorschriften op te nemen in de vigerende Omgevingsvergunning:

Voorschrift

Lozing PFBS

De volgende voorschriften zijn van toepassing op het lozen van afvalwater dat via de

afvalwaterpersleiding van SABIC Innovative Plastics B.V. en de effluentleiding van de RWZI Bath in beheer bij het Waterschap Brabantse Delta in de Westerschelde wordt geloosd:

1. Vergunninghouder dient de lozing van PFBS te minimaliseren door het nemen van

maatregelen.

2. Vergunninghouder dient te streven naar een nullozing van PFBS.

3. Het afvalwater moet tot 1 januari 2026 aan de volgende eis voldoen:

Verder heeft het college van gedeputeerde staten, naar aanleiding van de zienswijzen van SABIC en MOB over het ontwerpbesluit van voornoemd wijzigingsbesluit, nogmaals de minister om advies gevraagd. De minister heeft dit advies op 22 november 2024 gegeven en daarin, onder meer, het volgende opgenomen:

‘Het advies komt er in het kort op neer dat, gelet op de negatieve effecten van

PFBS voor de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam,

tijdelijk (2025 en 2026) een lozing PFBS van maximaal 2,75 kilogram per jaar kan

worden toegestaan.’

13.7.

MOB betoogt dat het waterschap ook een waterwetvergunning moet hebben voor de lozing van het afvalwater van SABIC via haar AWP, voor zover dat PFAS bevat. Die heeft het waterschap niet.

13.8.

De rechtbank oordeelt als volgt. Feitelijk is van belang dat, zoals onder 3.1 al uiteengezet, het afvalwater van SABIC niet wordt gezuiverd door de RWZI Bath. De lozing door SABIC op de AWP vindt namelijk plaats nadat het afvalwater uit de andere stromen is gezuiverd door het waterschap in de RWZI. Daarmee wijkt de onderhavige situatie af van de situatie zoals deze zich voortdeed in de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019. In die betreffende situatie vond de lozing van de stoffen plaats vóór de afvalwaterzuivering en vervolgens werd het afvloeiende water uit die afvalwaterzuivering geloosd. Voor de lozing vanuit die RWZI op het oppervlaktewater had Sitech, als exploitant van die RWZI, een waterwetvergunning, net als het waterschap in deze procedure een waterwetvergunning heeft voor de lozing door haar RWZI Bath. Het geschil in de procedure uit 2019 ging vervolgens over de vraag in hoeverre in die vergunning ook de lozing van pyrazool was vergund. Dat pyrazool was afkomstig van een specifiek bedrijf, maar kwam dus via het riool bij de RWZI terecht en via de RWZI in het oppervlaktewater. In dit geval vindt de lozing van SABIC plaats ná de afvalwaterzuivering en wordt de lozing door SABIC in ieder geval óók door de (gewijzigde) milieuvergunning gereguleerd.

13.9.

Dit is van belang omdat de lozing door SABIC geldt als een indirecte lozing in de zin van de Wabo en Waterwet. Uit de memorie van toelichting bij die wetten volgt dat beoogd is om de regels voor dergelijke indirecte lozingen uitsluitend via de Wm/Wabo te laten lopen, in dit geval dus via de milieuvergunning van het college van gedeputeerde staten. Deze regels moet ook betrekking hebben op de bescherming van het oppervlaktewater. Om die reden moet volgens de wetgever de waterbeheerder, in dit geval de minister, een voldoende zeggenschap hebben over de regulering en handhaving door het college van gedeputeerde staten. Ook het bestuursrechtelijk sanctionerend optreden tegen indirecte lozingen moet plaatsvinden via het bevoegd gezag van de milieuvergunning en niet zelfstandig door de minister zelf.

13.10.

Deze structuur is niet alleen verwoord in de wetsgeschiedenis maar volgt ook uit het hiervoor uiteengezette wettelijk kader en is in dit geval ook daadwerkelijk toegepast. De vergunning van SABIC voor de indirecte lozing is namelijk door het college van gedeputeerde staten verleend en gewijzigd, en daarbij heeft de minister tot tweemaal toe gebruik gemaakt van zijn adviesrecht, dat blijkens de onder 13.4 aangehaalde wetsgeschiedenis bindend is. De minister heeft in het meest recente advies uitdrukkelijk geadviseerd om een norm voor PFBS op te nemen in de milieuvergunning van SABIC, hetgeen ook is gebeurd.

13.11.

Verder acht de rechtbank van belang dat, gelet op artikel 6.26 van de Waterwet, bij verlening van de milieuvergunning de gevolgen van de indirecte lozing zijn betrokken voor het oppervlaktewater waarop de lozing uiteindelijk uitmondt. Daarmee gelden bij een indirecte lozing dezelfde waarborgen als die zouden gelden wanneer sprake zou zijn van een directe lozing op het oppervlaktewater. De milieuvergunning voor een indirecte lozing wordt in zoverre dus op de dezelfde wijze getoetst als een vergunning op grond van de Waterwet voor een directe lozing. Ook in dit geval is getoetst aan de gevolgen voor het oppervlaktewater. Dat is uitdrukkelijk te zien in het nadere advies van de minister over de door MOB en SABIC ingediende zienswijzen tegen de ontwerpbeschikking en de uiteindelijke vergunning door het college van gedeputeerde staten. Dat het bij deze gewijzigde milieuvergunning draait om de gevolgen van de indirecte lozing door SABIC op de Westerschelde, volgt ook uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in het beroep tegen die vergunning. Zo benoemt de rechtbank in overweging 10 dat moet worden uitgegaan van een norm zoals die geldt voor zout water, omdat de lozing door SABIC, via de AWP, bij Waarde in de Westerschelde komt en het water daar als zout moet worden aangemerkt. In overweging 11 bespreekt de rechtbank de mengzone met het Westerscheldewater zoals die bij dat lozingspunt in Waarde zou moeten gelden en in overweging 12 gaat de rechtbank in op de samenhang en cumulatie tussen de indirecte lozing door SABIC en de lozing vanuit RWZI Bath. Voor zover MOB in de huidige procedure aanvoert dat er naar de cumulatie van die lozingen moet worden gekeken, stelt de rechtbank dus vast dat dit ook onderwerp van de eerdere procedure tegen de milieuvergunning is geweest.

13.12.

Uit het voorgaande volgt samengevat dat SABIC voor haar indirecte lozing een vergunning van het college van gedeputeerde staten nodig heeft, dat bij het verlenen van die vergunning mede de gevolgen van de lozing op het oppervlaktewater moeten worden betrokken en dat in dat kader een bindend advies van de waterbeheerder vereist is. Aan al deze voorwaarden is in dit geval ook voldaan. Ook kan de minister het college van gedeputeerde staten opdragen om handhavend op te treden tegen SABIC in geval van overtreding van de vergunning voor de indirecte lozing. Daarmee is de regulering van de lozing van afvalwater door SABIC via de AWP van het waterschap gewaarborgd. Zoals ook de bedoeling van de wetgever was, kan onder deze omstandigheden niet van het waterschap worden verlangd dat het een vergunning aanvraagt voor de directe lozing van dat afvalwater van SABIC op de Westerschelde. Dat is niet nodig omdat de regulering al heeft plaatsgevonden, en het zou ook onwenselijk zijn omdat het naast elkaar laten bestaan van verschillende vergunningen die hetzelfde reguleren tot onnodige extra procedures en mogelijk tegenstrijdige vergunningen of rechterlijke uitspraken over dezelfde zaak zou leiden.

13.13.

Dit betekent dat de beroepsgrond van MOB, dat het waterschap een waterwetvergunning moet hebben voor de lozing van het PFAS-houdend afvalwater van SABIC via haar AWP, niet slaagt. Nu het waterschap hiervoor geen vergunning nodig heeft, is ook geen sprake van overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie in zaak 24/5730

14. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen is het beroep van MOB ongegrond. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen besluiten dat het waterschap niet in strijd handelt met artikel 6.2 van de Waterwet.

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen van MOB zijn ongegrond. De minister heeft het bezwaar van MOB terecht niet-ontvankelijk verklaard en het handhavingsverzoek van MOB terecht afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. M. Duifhuizen, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026

griffiervoorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de (voormalige) Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).
  2. Op grond van artikel 2.25, tweede lid, van de Invoeringswet Waterwet.
  3. Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
  4. Dit betreft een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet.
  5. Zie de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6158, r.o. 15. Dit besluit is door het college genomen ter uitvoering van de actualiseringsplicht van artikel 5.38 van de Omgevingswet.
  6. Vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 3.3.
  7. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2906, r.o. 3 en 4 en de uitspraak van het CBb van 27 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:160, r.o. 4.1.
  8. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617.
  9. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4928, r.o. 2.2.
  10. Vergelijk de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 4.2. en de uitspraak van de Afdeling 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1239, r.o. 8.3.
  11. Zoals uiteengezet in de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 2.2 en later onder meer herhaald in de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4673, r.o. 5.1 en de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3313, r.o. 4.1.
  12. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368, r.o. 3.3 en de uitspraak van de Centrale Raad van 24 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0044, r.o. 4.3.
  13. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst SABIC naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2917, r.o. 3.1
  14. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3479, r.o. 30.
  15. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5337, r.o. 7.1 en de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1138, r.o. 3.
  16. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
  17. Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6158, r.o. 7.5.
  18. Zie de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6158, r.o. 15.
  19. Uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3478.
  20. Dit volgt volgens de minister uit artikel 2.26, tweede lid, van de Wabo en artikel 2.14, eerste lid, onder c en onder 4, van de Wabo. Dit onderbouwt de minister met een verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:6260
  21. Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 90 (Wabo) & Kamerstukken II 2006/07, 30318, nr. 3, p. 12-13 (Waterwet).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.