Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Gelderland, 27 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8313Zaaknummer ARN 26/3067

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/3067
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening; opvang Oekraïense ontheemden; toereikend huisvestingsniveau.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het college aan verzoekers alternatieve passende huisvesting dient aan te bieden;

- bepaalt dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Is er sprake van een spoedeisend belang?
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/3067 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2026

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster 1] en [verzoekster 2], uit [plaats], verzoekster 1 en verzoekster 2, samen verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de overplaatsing van verzoekers, ontheemden uit Oekraïne, naar een andere opvanglocatie. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vraag of het college bij de invulling van een opvanglocatie aan mag sluiten bij de normen die gelden voor noodopvang van asielzoekers en of hiermee een toereikend huisvestingsniveau wordt geboden, een principiële rechtsvraag is die nader onderzoek vraagt. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor beantwoording van een dergelijk principiële rechtsvraag. Daarom doet de voorzieningenrechter niet ook uitspraak op het beroep. Door de problemen die er zijn met de klimaatbeheersing wordt op dit moment niet aan de minimale eis van een toereikend huisvestingsniveau voldaan. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat het college aan verzoekers passende alternatieve opvang dient aan te bieden.1.2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 december 2025 heeft het college besloten verzoekers te verhuizen van de opvanglocatie voor Oekraïners in het [locatie 1] ( [adres 1]) naar de opvanglocatie voor Oekraïners in de [locatie 2] aan de [adres 2] in Oosterhout .2.1. Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 op het bezwaar van verzoekers heeft het college dit besluit gehandhaafd. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers en de gemachtigden van het college. Tevens was aanwezig [tolk] in de Russische taal.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekers zijn ontheemden uit Oekraïne. Zij werden ongeveer twee en een half jaar door het college opgevangen in Elst. Omdat de huurovereenkomst voor de locatie in Elst eindigde, heeft het college besloten hen over te plaatsen naar een opvanglocatie in de [locatie 2] in Oosterhout.

Is er sprake van een spoedeisend belang?

4. Het college betwist dat er sprake is van spoedeisend belang. De overplaatsing heeft al plaatsgevonden en de opvanglocatie voldoet aan de brandveiligheidseisen. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Dat de overplaatsing heeft plaatsgevonden en de oude opvanglocatie inmiddels niet meer beschikbaar is betekent nog niet dat er geen andersoortige voorziening getroffen kan worden als de inhoudelijke beoordeling daartoe aanleiding geeft. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom inhoudelijk.

Het standpunt van verzoekers 5. Verzoekers zijn het niet eens met deze overplaatsing. Zij stellen dat de [locatie 2] niet voldoet aan de eisen die aan een opvanglocatie gesteld worden. Hun kamer is gelegen op de zolderverdieping. Deze is uitsluitend bereikbaar via één steile trap. Op 21 april 2026 is isolatiemateriaal uit het plafond naar beneden gekomen. Sindsdien hebben zij enige tijd op de veranda geslapen. In 2021 is in het gebouw asbesthoudend materiaal aangetroffen. Een toegezegde onafhankelijke inspectie is niet aan bewoners overgelegd; herstel is verricht door dezelfde aannemer als de oorspronkelijke renovatie. Eisers voelen zich niet veilig in het pand. Uit een rapport uit 2021 blijkt bovendien dat er asbesthoudende materialen in het pand zijn verwerkt.

5.1.

De locatie is feitelijk ongeschikt voor langdurige bewoning door een gezin met een minderjarig kind en een oudere moeder. De door verzoekster 1 en haar zoon bewoonde kamer beslaat circa 12 m², maar door de schuine dakconstructie bedraagt de feitelijk bruikbare ruimte naar schatting slechts circa 9 m². De binnenwanden bestaan grotendeels uit gipsplaten, waardoor privacy en rust ontbreken. De sanitaire voorzieningen op de zolderverdieping beschikken over onvoldoende ventilatie en voor een groot aantal bewoners zijn slechts twee keukens beschikbaar. In de winter is het bovendien te koud, in warme perioden te warm. Doordat feitelijk ook meer mensen worden gehuisvest dan in eerste instantie de bedoeling was staan de leefomstandigheden nog verder onder druk.

5.2.

Verder stellen zij dat Elst hun feitelijke woonomgeving was geworden. De overplaatsing grijpt rechtstreeks in op het privé- en gezinsleven en is in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze inmenging noodzakelijk en proportioneel is en waarom aan de zwaarwegende belangen van verzoekers minder gewicht toekomt dan aan het algemene belang van herverdeling van opvangplaatsen. Bovendien is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke medische omstandigheden van verzoekster 1. Zij heeft in bezwaar al gewezen op haar claustrofobie; desondanks is zij gehuisvest op de zolderverdieping in een kleine kamer onder een schuin dak, met beperkte ventilatie en zonder tweede vluchtroute. Uit de MRI-uitslag van 14 oktober 2022 blijkt voorts artrose van beide heupgewrichten (graad 1-2), die traplopen bemoeilijkt. Verzoekster 2 heeft sinds het verblijf in de [locatie 2] allergische klachten ontwikkeld waarvoor zij onder behandeling staat. Deze omstandigheden zijn niet kenbaar onderzocht en meegewogen.

5.3.

Zij beroepen zich voorts op artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Door de overplaatsing is de zoon van verzoekster 1 terechtgekomen in een woonomgeving met beperkte leefruimte, gebrek aan privacy en een hoge bezettingsgraad, zonder eigen rustige plek om te studeren of tot rust te komen. Zijn belangen zijn onvoldoende meegewogen.

5.4.

Verzoekers stellen verder dat het college onvoldoende transparant is en met twee maten meet, nu voor de nieuwe bewoners van [locatie 1] andere eisen gelden. Zij wijzen er verder op dat zij voor de opvang een eigen bijdrage moeten betalen, terwijl de basisvoorzieningen tekortschieten. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties zijn onderzocht en waarom deze niet geschikt zijn geacht.

Het standpunt van het college

6. Het college betwist dat de aan verzoekers aangeboden opvangvoorziening niet aan de eisen voldoet. Het college erkent dat op 21 april 2026 een plafondplaat is losgekomen, maar de aannemer heeft diezelfde dag een aanvullende veiligheidsconstructie aangebracht die alle isolatieplaten ondervangt. Volgens de aannemer is het pand veilig voor gebruik. In verband met de onrust op de locatie heeft het college [bedrijf] B.V. gevraagd de constructieve en bouwkundige veiligheid van het pand te onderzoeken. Uit het onderzoek is gebleken dat de isolatieplaten oorspronkelijk rechtstreeks aan het houten dakbeschot waren bevestigd en dat deze bevestigingswijze ontoereikend bleek. Dit is verholpen door een houten frame aan te brengen waardoor de isolatieplaten op een stabielere manier zijn bevestigd. Volgens [bedrijf] zijn de getroffen maatregelen adequaat en is de situatie veilig.

6.1.

Voor wat betreft de asbesthoudende materialen stelt het college dat het in oude panden niet ongebruikelijk is dat er asbest wordt aangetroffen, maar uit het rapport van de GGD blijkt dat er geen reden om aan te nemen dat asbest een risico is op de locatie.

Voor wat betreft het ontbreken van een tweede vluchtroute stelt het college dat de brandweer het pand heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat het voldoet aan de brandveiligheidseisen. De enige aandachtspunten die de brandweer had, hadden betrekking op het gebruik van het pand. Tijdens een informatieavond zijn de bewoners geïnformeerd over de brandveiligheid van het gebouw, de aanwezige vluchtmogelijkheden en de maatregelen die in geval van een calamiteit genomen moeten worden. Verzoekers waren hier niet aanwezig.

6.2.

Voor wat betreft de medische klachten van verzoekster 1 stelt het college dat niet is onderbouwd dat het verblijf op de opvanglocatie medisch onverantwoord is, noch dat sprake is van een acute medische noodsituatie die ingrijpen noodzakelijk maakt. Het college ziet hierin geen reden een voorlopige voorziening toe te kennen.

Het wettelijk kader

7. Artikel 13, eerste lid, van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Richtlijn)[_91fd1717-d31f-47ef-b7d8-c71636911459] bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen te hunner beschikking krijgen om huisvesting te vinden. In Nederland is dit uitgewerkt in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO).

7.1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de opvang van ontheemden.[_5ff0698e-2714-4364-9380-8b2284350c38] De opvangvoorziening moet voldoen aan een toereikend huisvestingsniveau, waaronder ten minste wordt begrepen de aanwezigheid van een adequate bescherming tegen weersinvloeden, van verwarming, sanitaire voorzieningen en zit- en slaapgelegenheid en indien mogelijk de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.[_dc72d4a7-d916-4abb-b811-5358ac3d79d2] Het college bepaalt in welke opvangvoorziening binnen de gemeente een ontheemde wordt geplaatst en is bevoegd een ontheemde naar een andere voorziening binnen de gemeente over te plaatsen.[_1aaef964-618a-4f11-92f9-a74884d44e62] Het college houdt hierbij rekening met de specifieke situatie van kwetsbare ontheemden.[_f6c33ed0-a6c3-4057-8387-c628a340a470]

Kan de voorzieningenrechter ook op het beroep uitspraak doen?

8. Niet in geschil is dat het college bevoegd is tot het overplaatsen van verzoekers naar een nieuwe opvanglocatie. De vraag is of het college in dit geval gebruik mocht maken van die bevoegdheid. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bij de toegewezen woonvoorziening gaat om een 'fatsoenlijk onderkomen' en of daarin sprake is van een 'toereikend huisvestingsniveau'.[_2f8e9dfd-342a-4d67-b950-3bafdccaa678]

8.1.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de RooO[_74b39b11-ae85-4f1f-a8c6-2e693d7196a8] blijkt het volgende:

De locatie waar ontheemden worden opgevangen voldoet aan een toereikend huisvestingsniveau, waaronder ten minste wordt begrepen de aanwezigheid van een adequate bescherming tegen weersinvloeden, van verwarming, sanitaire voorzieningen en zit- en slaapgelegenheid. Dit betekent dat de locatie naar het oordeel van de brandweer brandveilig is en de locatie door de GGD op geschiktheid is beoordeeld.

8.2.

De GGD heeft de opvanglocatie niet op geschiktheid beoordeeld.[_b1fb387d-954d-411a-97fe-770f74962b54] Wel heeft deze dienst beoordeeld dat de aanwezige asbest niet tot gezondheidsrisico’s leidt. Voor het overige is de opvanglocatie niet door de GGD beoordeeld. Wel is het pand beoordeeld door de brandweer; van gebreken is niet gebleken.

8.2.1.

Het college sluit bij de beoordeling van de opvanglocatie aan bij de normen die gelden voor de noodopvang van asielzoekers door het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA).[_8975096e-b036-44d1-937e-4e7c76cbbfef] Zo geldt voor de noodopvang van asielzoekers een minimale norm van 5 m² per kamer per asielzoeker. Aan deze norm wordt voldaan. Ook de sanitaire ruimten, toiletten en keukens voldoen aan de normen die het COA stelt aan de noodopvang van asielzoekers. Hierbij heeft het college aangegeven dat de Richtlijn telkens slechts voor één jaar wordt verlengd, waardoor het lastig is te beoordelen hoe lang Oekraïense ontheemden moeten worden opgevangen. Daarom wordt aangesloten bij de normen die gelden voor noodopvang van asielzoekers.

8.3.

De vraag of het college bij de invulling van een opvanglocatie aan mag sluiten bij de normen die gelden voor noodopvang van asielzoekers en of hiermee een toereikend huisvestingsniveau wordt geboden, is een principiële rechtsvraag die nader onderzoek vraagt. De voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor beantwoording van een dergelijk principiële rechtsvraag. Daarom doet de voorzieningenrechter niet ook uitspraak doen op het beroep. Wel beoordeelt de voorzieningenrechter of er reden is om een voorlopige voorziening te treffen.

Is er reden om een voorlopige voorziening te treffen?

9. Verzoekers stellen dat de verwarming van de [locatie 2] slecht tot niet functioneert. Hun kamers worden verwarmd met airconditioning, maar het systeem werkt niet. In het begin van het jaar was het geregeld te warm en de ramen kunnen niet ver genoeg open om frisse lucht binnen te laten. De laatste maanden is het echter vaak zo koud dat verzoekster 2 met een muts op in bed ligt. De zoon van verzoekster 2 is door de kou bovendien ziek geworden en mist daardoor school. Zij hebben foto’s bijgevoegd van een thermometer in hun kamer. Op 28 maart was het om 20u ’s avonds slechts 17 graden in de kamer en op 30 april 30 graden. Zondag 12 april was het om 11u slechts 16 graden in de kamer. Op 8 oktober 2026 was het om 01.10 uur 7 graden.

9.1.

Het college erkent de problemen met klimaatbeheersing van het pand.[_16d05982-c76f-48c6-8956-2210820d7ab6] Er is ook een installateur ingeschakeld, maar hij heeft het probleem nog niet op kunnen lossen. Het heeft volgens het college wel de aandacht.

9.2.

Hoewel de voorzieningenrechter de vraag of het college heeft kunnen aansluiten bij de normen die gelden voor noodopvang van asielzoekers en of hiermee een toereikend huisvestingsniveau wordt geboden niet in deze procedure beantwoordt (zie onder 8.3), is hij wel van oordeel dat alleen al door de problemen die er zijn met de klimaatbeheersing op dit moment in ieder geval voor verzoekers niet aan de minimale eis van een toereikend huisvestingsniveau wordt voldaan. Dit is aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en te bepalen dat het college verzoekers passende alternatieve opvang moet aanbieden. Hetgeen meer en overigens is aangevoerd zal in beroep worden beoordeeld.

9.3.

Deze voorziening geldt tot de uitspraak van de rechtbank op het beroep van verzoekers.[_906db8a1-a573-47ee-a5c5-a91d308d68c1] Het is mogelijk dat daaraan voorafgaand de problemen met klimaatbeheersing worden opgelost. Het college kan dan gebruik maken van de mogelijkheid om tussentijds om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening te vragen.[_7a853f40-6db3-4ad4-a553-98662651eafc]

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het college aan verzoekers alternatieve huisvesting dient aan te bieden.

11. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen bepaalt de voorzieningenrechter dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht van € 200,- aan hen dient te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het college aan verzoekers alternatieve passende huisvesting dient aan te bieden;

- bepaalt dat het college het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

  1. 2001/55 EG
  2. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, van de RooO.
  3. Dit volgt uit artikel 5, eerste en tweede lid, van de RooO.
  4. Dit staat in artikel 9, eerste lid van de RooO.
  5. Dit staat in artikel 15, eerste lid, van de RooO. Dit artikel noemt als voorbeelden minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, personen met ernstige ziekten en personen met mentale stoornissen
  6. Als bedoeld in artikel 13 van de Richtlijn respectievelijk artikel 5 van de RooO.
  7. Artikelsgewijze toelichting bij artikel 5 van de RooO in de Staatscourant 1 april 2022 nr. 9469.
  8. Mededeling van de gemachtigde van het college op de zitting.
  9. Mededeling van de gemachtigde van het college op de zitting.
  10. Mededeling van de gemachtigde van het college op de zitting.
  11. Dit volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.
  12. Dat is geregeld in artikel 8:87, van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.