Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Gelderland, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8292Zaaknummer 05/159406-25
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/159406-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Taakstraf van 60 uren voor mishandeling tijdens festival in Elst. Vrijspraak bepleit ivm noodweer. Noodweersituatie niet aannemelijk geworden o.g.v. de beelden. Smartengeld BP deels toegewezen.
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 en feit 2, primair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 05/159406-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 750,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
wijst de vordering tot materiële schade af;
- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever], een bedrag te betalen van € 750,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 7 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
| Dit vonnis is gewezen door mr. O. El Kadi (voorzitter), mr. L.M. Vogel en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 oktober 2026. |
| Mr. El Kadi is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- 1 De inhoud van de tenlastelegging
- 2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
- 3 De bewezenverklaring
- 2. subsidiair
- 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
- 5 De strafbaarheid van het feit
- 6 De strafbaarheid van de verdachte
- 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
- 8 De beoordeling van de civiele vordering
- 9 De toegepaste wettelijke bepalingen
- 10 De beslissing
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/159406-25
Datum uitspraak: 27 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres] in [woonplaats].
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 april 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland,
op het festivalterrein Park Lingezegen, gelegen aan De Park, in elk geval openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen,
te weten egen [aangever] en/of een of meerdere andere onbekend gebleven personen,
door
- die onbekend gebleven personen tegen het lichaam slaan en/of te duwen,
- die [aangever] vast te pakken,
- die [aangever] met zijn rechtervuist, met kracht en met snelheid tegen het gezicht te slaan, en/of
(vervolgens)
- die [aangever], terwijl die [aangever] weerloos op de grond lag, met kracht tegen de onderbuik
en/of de schaamstreek te schoppen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in elk geval enig lichamelijk letsel ten gevolge had;
2.
hij op of omstreeks 20 april 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland, aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever] met zijn rechtervuist, met kracht en met snelheid tegen het gezicht te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 april 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland, [aangever] heeft mishandeld, door
- die [aangever] met zijn rechtervuist tegen het gezicht te slaan, en/of (vervolgens)
- die [aangever], terwijl die [aangever] weerloos op de grond lag, tegen de onderbuik en/of de schaamstreek te schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Ten aanzien van feit 1 – openlijke geweldpleging (vrijspraak)
Onder feit 1 wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte in vereniging, dus samen met anderen, geweld tegen [aangever] of andere onbekend gebleven personen heeft gebruikt. Verdachte zal daarom van het tenlastegelegde onder feit 1 worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 – (zware) mishandeling [_9a00a383-a27c-43d7-8585-6ea670a31735]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [aangever]. Het letsel dat [aangever] daardoor heeft opgelopen, kan echter niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 2, primair ten laste gelegde zware mishandeling. De onder feit 2, subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wel wettig en overtuigend bewezen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 2, primair ten laste gelegde zware mishandeling, nu het letsel van [aangever] niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Wel kan worden bewezen dat verdachte [aangever] een klap en een schop heeft gegeven. Verdachte handelde echter uit noodweer(exces), zodat zijn handelen niet wederrechtelijk was. Verdachte moet daarom ook vrijgesproken worden van de onder feit 2, subsidiair ten laste gelegde mishandeling.
Beoordeling door de rechtbank
[aangever] heeft aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd tegen hem op 20 april 2025 in Elst. Hij heeft verklaard dat hij is geslagen en dat hij daardoor pijn had aan zijn hoofd.[_4ba89db4-cf72-46fc-a457-17e24e839af3]
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn gezin bij het Lingepop festival was. Hij heeft aangever [aangever] een klap gegeven, waardoor hij neerviel. Het was een vuistslag op zijn kaak. Uit frustratie heeft verdachte daarna nog een schop tegen zijn buik gegeven.[_2cca0192-6f61-4d70-8dcd-b089577751ef]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft een door een getuige beschikbaar gesteld filmpje bekeken en beschrijft het volgende. Hij zag dat het filmpje begon met een worsteling tussen twee personen(de rechtbank begrijpt dat verdachte niet één van deze personen is). Hij zag dat één persoon (hierna: het slachtoffer) van achteren, met twee handen werd tegengehouden door een vrouw.[_94bc1ebc-33f3-4bdb-a7a5-c4a8734aede3]
De rechtbank ziet op de beelden dat aangever naar een man toe loopt die zich schuin naast verdachte bevindt. Verdachte beweegt vervolgens richting aangever.[_2969b7fc-9de7-45d6-8724-138688b4d277]
Verbalisant zag vervolgens dat een man (hierna: verdachte) zich door de groep mensen heen bewoog. Hij zag dat verdachte in de richting liep van het slachtoffer. Hij zag dat het hoofd van het slachtoffer plotseling naar achteren bewoog alsof hij hier een duw of klap tegenaan kreeg. Hij zag dat het slachtoffer op de grond viel. Verdachte stond op dat moment één meter voor het slachtoffer en keek in zijn richting.[_b31b870f-41a8-4b82-9ed9-852d45c9f286]
Verbalisant [verbalisant 2] heeft eveneens (rechtbank: de kortere versie van) de beelden bekeken en beschreven. Hij zag dat er veel mensen dicht op elkaar stonden en dat er een opstootje plaatsvond. Hij zag dat een man (hierna: verdachte) zich door de groep heen bewoog, terwijl hij met zijn vuisten voor zich uit sloeg. Hij zag dat verdachte zich van rechts naar links door het beeld bewoog. Vervolgens kwam er een tweede man in beeld (hierna: slachtoffer). Hij zag dat het slachtoffer met zijn handen voor zich uit voor verdachte stond. Hij zag dat verdachte een stap zette in de richting van het slachtoffer en dat beide mannen elkaar vastpakten. Hij zag dat verdachte vrijwel direct hierna zijn rechterarm naar achter bewoog en zijn vuist balde. Verdachte bewoog zijn vuist vervolgens met kracht en snelheid in de richting van het gezicht van het slachtoffer. Hij zag dat het slachtoffer op de grond viel. Vervolgens zette verdachte een stap in de richting van het slachtoffer en bewoog met zijn rechterbeen in de richting van de onderbuik dan wel schaamstreek van het slachtoffer, waar hij het slachtoffer ook raakte.[_3ee88391-8d69-4db1-905f-6735c4a660cd]
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte [aangever] met de vuist in het gezicht heeft geslagen en dat hij hem vervolgens, toen [aangever] op de grond lag, een schop tegen zijn buik heeft gegeven.
Verdachte heeft een beroep op noodweer gedaan. Hij heeft verklaard dat hij zich moest verdedigen tegen een aanval door [aangever]. De feitelijke toedracht, zoals verdachte die heeft verklaard, komt echter niet overeen met wat op de beelden is te zien. Verdachte verklaarde immers dat aangever dreigend op hem kwam afrennen en daarbij een schoppende beweging in zijn richting maakte. Zoals hierboven is beschreven is het verdachte die op aangever afloopt en zich vervolgens met zwaaiende armen van rechts naar links door de groep beweegt en dan uithaalt naar [aangever]. Die gedraging is in de kern aanvallend en niet verdedigend. Er is dus geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [aangever].
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Vrijspraak van zware mishandeling
Onder feit 2, primair wordt verdachte verweten dat hij [aangever] zwaar heeft mishandeld. Daarvoor dient, onder meer, bewezen te worden dat [aangever] door het incident zwaar letsel heeft opgelopen.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard.
Uit de medische verklaring die zich in het dossier bevindt, valt af te leiden dat [aangever] een zwelling bij het jukbeen en een pijnlijke schouder had. Verder ontwikkelde hij in de week na het incident visusklachten. Door de oogarts is vastgesteld dat sprake was van loslating van het achterste glasvochtmembraan. Dit zal volgens de arts vanzelf genezen. Het is de rechtbank niet gebleken dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Kijkend naar de algemene gezichtspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd, kan het letsel van [aangever] naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 2, primair ten laste gelegde zware mishandeling.
Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2, subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2. subsidiair
hij op of omstreeks 20 april 2025 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland, [aangever] heeft mishandeld, door
- die [aangever] met zijn rechtervuist tegen het gezicht te slaan, en/of (vervolgens)
- die [aangever], terwijl die [aangever] weerloos op de grond lag, tegen de onderbuik en/of de schaamstreek te schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 2, subsidiair:
Mishandeling.
5 De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake was van een noodweersituatie, slaagt ook het beroep op noodweerexces niet.
De verdachte is dus strafbaar.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis als deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij een bewezenverklaring van mishandeling de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting in acht moet nemen, waarbij als uitgangspunt een geldboete van € 1.000,00 geldt.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft het slachtoffer tijdens een festival in Elst een vuistslag in het gezicht gegeven en vervolgens, terwijl het slachtoffer op de grond lag, een trap in zijn buik gegeven. Verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij recent niet is veroordeeld voor strafbare feiten. Verdachte heeft zijn leven op orde, zo is uit het dossier en op de zitting gebleken. Op basis van de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting die rechters in Nederland hanteren wordt bij een mishandeling door een zogenoemde ‘first offender’ als uitgangspunt een geldboete van € 1.000,00 gehanteerd. De rechtbank acht een geldboete in dit geval echter niet passend, omdat de mishandeling plaatsvond in het openbaar, op een festival dat voor alle leeftijden toegankelijk was. Verdachte was notabene zelf met zijn partner en kinderen bij het festival aanwezig en had naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen en moeten handelen. Alles afwegende zal de rechtbank daarom aan verdachte een taakstraf opleggen van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren worden verricht.
8 De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 7.000,00 aan materiële schade en € 6.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank een bedrag zal toewijzen, daarover de wettelijke rente wordt toegekend. Ook heeft zij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten voor het litteken en het oogletsel geen materiële schade betreffen, maar immateriële schade. Nu de grondslag van de gevorderde schade onjuist is, kan dit deel van de vordering niet inhoudelijk worden beoordeeld. Voor zover de rechtbank wel overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de materiële vordering, acht de verdediging deze onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de vordering van immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt dat er geen specifiek aanwijsbaar en onderbouwd letsel is. De vordering kan gelet op de gebrekkige onderbouwing enkel worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00. Voorts is sprake van een mate van eigen schuld, vast te stellen op 50%, waardoor het bedrag dient te worden gehalveerd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Door de benadeelde partij is – als materiële schade – een bedrag van € 7.000,00 gevorderd in verband met een litteken in het gezicht en de omstandigheid dat de oogfunctie blijvend is verstoord. De rechtbank constateert echter op basis van de naar voren gebrachte stukken dat er in dit verband geen sprake is van materiële kosten. Door de raadsvrouw van de benadeelde is ter terechtzitting ook bevestigd dat, voor zover die kosten wel zijn gemaakt, deze tot nu toe zijn vergoed en vergoeding van die kosten dus niet wordt gevorderd. Gelet hierop, zal de rechtbank de gevorderde materiële schade afwijzen.
Smartengeld
Door de benadeelde is verder een bedrag van € 6.000,00 aan smartengeld gevorderd. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een zwelling bij zijn oog en een loslating van het achterste glasvochtmembraan. De rechtbank ziet hierin aanleiding om smartengeld toe te kennen. Namens de benadeelde is daarnaast naar voren gebracht dat sprake is van blijvend letsel. Deze stelling is ter zitting betwist en de rechtbank acht de vordering op dat punt onvoldoende onderbouwd. Bij de vordering en ook in het dossier bevinden zich geen medische stukken waaruit blijkt dat hiervan sprake is. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld het gestelde blijvende letsel daarom niet betrekken.
Verder is namens de benadeelde gesteld dat er een tweede grondslag is voor het toekennen van smartengeld, namelijk aantasting van de persoon op andere wijze. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zouden zonder meer tot de conclusie moeten leiden, aldus namens de benadeelde. Hoewel de rechtbank de door de benadeelde beschreven impact van het voorval invoelbaar vindt, biedt de huidige stand van de rechtspraak geen ruimte voor toewijzing van smartengeld op deze grondslag in een geval als deze. De bewezenverklaarde mishandeling is op zichzelf een onvoldoende ernstige normschending om reeds daarom, zonder verdere onderbouwing, de aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Dit oordeel wordt niet anders als dit wordt beoordeeld tezamen met de door de benadeelde gestelde gevolgen. De rechtbank is van oordeel dat de beschreven psychische gevolgen passend zijn bij het fysieke letsel dat de benadeelde heeft opgelopen. De rechtbank zal de gevolgen daarom betrekken bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld, maar dit levert geen zelfstandige grondslag op voor toekenning van smartengeld.
Naar maatstaven van billijkheid en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, acht de rechtbank een bedrag van € 750,00 aan smartengeld passend. Van eigen schuld bij de benadeelde is op basis van het dossier niet gebleken.
De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag van volledige voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde smartengeld niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel van de vordering als hij dat wenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 en feit 2, primair ten laste gelegde feiten;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 05/159406-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 750,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
wijst de vordering tot materiële schade af;
- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever], een bedrag te betalen van € 750,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 7 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
| Dit vonnis is gewezen door mr. O. El Kadi (voorzitter), mr. L.M. Vogel en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 oktober 2026. |
| Mr. El Kadi is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. |
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025182257, gesloten op 15 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal van aangifte [aangever], p. 16.
- Verklaring van verdachte ter terechtzitting op 13 oktober 2026.
- Proces-verbaal van bevindingen, aanvullend proces-verbaal PL0600-2025182257-16, p. 1-2.
- Opname beeld en geluid, bestandsnaam ed761c6f-80c6-449d-8346-665d2eb73d79-260804153732.mp4.
- Proces-verbaal van bevindingen, aanvullend proces-verbaal PL0600-2025182257-16, p. 1-2.
- Proces-verbaal van bevindingen, 40-41.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.