Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Gelderland, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8247Zaaknummer 05/122679-26
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/122679-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Man wordt veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling door met een auto op een man in te rijden en voor het verlaten van de plaats van het ongeval. Vrijspraak voor de primair ten laste gelegde zware mishandeling, nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Opgelegd wordt een taakstraf van 180 uren, waarvan 90 uren voorwaardelijk en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde onder feit 1;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 90 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Deze beslissing is gegeven ter terechtzitting van de rechtbank op 21 oktober 2026 door mr. P.J. Verbeek, voorzitter, mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop en mr. E.C. van Geemen, griffiers.
Mrs. Van Laethem en Van Leeuwen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/122679-26
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres] [woonplaats].
Raadsman: mr. M. Kuipers, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 hij op of omstreeks 24 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door in de richting van die [aangever] te rijden en/of te blijven rijden en/of niet te remmen of anderszins snelheid teminderen en/of in te rijden op die [aangever];
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door in de richting van die [aangever] is gereden/of is blijven rijden en/of niet heeft geremd of anderszins snelheid heeft geminderd en/of is ingereden op die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard [aangever] heeft mishandeld, door in de richting van die [aangever] te rijden en/of teblijven rijden en/of niet te remmen of anderszins snelheid te minderen en/of in te rijden op die [aangever];
feit 2 hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bemmel, in de gemeente Lingewaard, op/aan (de parkeerplaats aan) het Kinkelplein, op of omstreeks 24 april 2026 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [aangever] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [_7762ace7-431b-4020-b6bb-34c4a368cab0]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 24 april 2026 is verdachte met zijn auto op het Kinkelplein in Bemmel in botsing gekomen met [aangever], die op dat moment te voet was. Verdachte reed in een auto van het merk Tesla, met het kenteken [kenteken] .[_9828a722-3b7f-451b-a71d-ed0e2e38cef0]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu niet gebleken is dat [aangever] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen door de aanrijding. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich ten aanzien van feit 1 schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Daarnaast acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van feit 1 dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat niet is gebleken dat [aangever] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen door de aanrijding. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat niet is gebleken dat verdachte - gelet op de uiterlijke verschijningsvorm – vol of voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel.
Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit omdat verdachte [aangever] niet in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Verdachte zag dat het letsel niet levensbedreigend was en dat omstanders al te hulp schoten.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal de twee feiten gelet op de nauwe onderlinge samenhang samen behandelen, waarbij ieder bewijsmiddel wordt gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud ziet.
Op de camerabeelden zag de verbalisant dat de Tesla in botsing kwam met een rennende man. De verbalisant zag dat de Tesla ten tijde van de botsing sneller voorwaarts bewoog en hij zag na enkele meters de remlichten oplichten. Vrijwel direct na de botsing kwam de man kort op de motorkap van de Tesla te liggen en daarna kwam hij op de grond terecht. Verbalisant hoorde de man vrijwel direct hard schreeuwen en het leek dan ook alsof de man veel pijn had door de botsing met de Tesla. Verbalisant zag dat de Tesla links afsloeg en na enkele meters wederom links afsloeg. De Tesla reed op dat moment parallel aan de locatie van de botsing op een naastgelegen doorgaande weg. Hij zag dat de Tesla vaart minderde, kort naar links stuurde om vervolgens zijn weg te vervolgen. Verbalisant zag dat hij vervolgens uit beeld reed. Verbalisant zag dat de bestuurder van de Tesla geen aanstalten heeft gemaakt om hulp te verlenen aan het slachtoffer en zijn identiteit aan hem kenbaar te maken. In de seconden en minuten na de botsing is te horen dat de man bleef schreeuwen en het uitkermde van de pijn.[_7cae6206-f141-4954-8be6-222aa8bd7ccd]
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een man op zijn auto af zag komen rennen. Hij stopte niet en de man ook niet. Voor hij het wist, lag de man op de motorkap. Uiteindelijk is hij doorgereden uit paniek.[_7323e0ce-547e-427b-a8b9-0575c5fcb9a8]
Vrijspraak voor feit 1 primair
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de primair ten laste gelegde zware mishandeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat [aangever] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen door de aanrijding. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde onder feit 1.
Feit 1 subsidiair: poging zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever].
Dat verdachte het volle opzet had om [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen is niet gebleken uit de bewijsmiddelen. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte daarop voorwaardelijk opzet had. De rechtbank stelt vast dat verdachte met een aanzienlijke snelheid op [aangever] afreed en daarbij niet afremde. Op de camerabeelden was zelfs te zien dat het voertuig versnelde tijdens de botsing. [aangever] was als voetganger kwetsbaar. Een aanrijding tussen een auto met enige snelheid en een voetganger leidt, naar algemene ervaringsregels, tot een aanmerkelijke kans dat de voetganger hierbij zwaar lichamelijk letsel oploopt. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] dat hieruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop ook bewust heeft aanvaard. Er is daarom sprake is van voorwaardelijk opzet. Er zijn geen contra-indicaties op grond waarvan aannemelijk is dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Feit 2 - Verlaten plaats ongeval
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na het aanrijden van [aangever] is weggereden. Uit de camerabeelden is gebleken dat verdachte geen aanstalten heeft gemaakt om hulp te verlenen aan het slachtoffer.
Gelet op de aard van het ongeluk en de wijze waarop [aangever] is aangereden, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat aan het slachtoffer letsel was toegebracht. Daarnaast is gebleken dat [aangever] na de aanrijding lang en hard schreeuwde waardoor het overduidelijk was dat hij veel pijn had. Door zichzelf niet om [aangever] te bekommeren, heeft verdachte hem in hulpeloze toestand achtergelaten. De bestuurder die een ongeval veroorzaakt moet zelf onmiddellijk hulp bieden. Die verplichting vervalt niet als het slachtoffer zelf hulp kan zoeken en vervalt evenmin als er sprake is van omstanders die te hulp zouden kunnen komen. Dat [getuige] direct na de aanrijding bij [aangever] stond, doet dus niet ter zake. Dat verdachte in paniek was en niet wist wat hij moest doen, staat ook niet aan een bewezenverklaring in de weg.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 (subsidiair) en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1 (subsidiair) hij op of omstreeks 24 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door in de richting van die [aangever] is gereden/of is blijven rijden en/of niet heeft geremd of anderszins snelheid heeft geminderd en/of is ingereden op die [aangever], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2 hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bemmel, in de gemeente Lingewaard, op/aan (de parkeerplaats aan) het Kinkelplein, op of omstreeks 24 april 2026 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [aangever] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 (subsidiair):
Poging tot zware mishandeling
feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de dagen die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden gevorderd met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn coöperatieve houding gedurende het gehele proces en het feit dat hij zich na het verkeersongeval zelf bij de politie heeft gemeld.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een auto tegen het slachtoffer aan te rijden zonder op enig moment (af) te remmen. Met dit rijgedrag heeft verdachte een groot risico genomen dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft zich vervolgens niet om het slachtoffer bekommerd, maar heeft de plaats van het ongeval verlaten en het slachtoffer aan zijn lot overgelaten. Dit zijn twee ernstige feiten waarmee verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op de veiligheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarbij heeft het incident plaatsgevonden op de openbare weg. Dit is zeer bedreigend en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid. Niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij de mensen die het hebben zien gebeuren en bij de maatschappij in het algemeen. De rechtbank heeft echter ook gezien dat verdachte op de terechtzitting van 7 oktober 2026 oprecht spijt leek te hebben van zijn handelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van de Reclassering Nederland over verdachte van 24 september 2026, waaruit volgt dat verdachte zich in het reclasseringscontact correct en coöperatief heeft opgesteld. Verdachte verklaarde als ondernemer in de kinderopvang in forse financiële problemen te zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Dit heeft tot op de dag van vandaag een grote impact op zijn psychisch welbevinden. Door de financiële situatie van verdachte heeft hij jarenlang voortdurend stress ervaren. Als gevolg hiervan zegt hij een voortdurend verhoogd stressniveau te hebben, waardoor spanningsvolle situaties harder bij hem binnenkomen. Zo ook in onderhavige zaak - verdachte heeft verklaard vanuit een paniekreactie te hebben gehandeld. Gezien de persoon van verdachte en diens houding acht de reclassering verdere interventies of toezicht niet nodig. De risico’s worden ook ingeschat als laag. De rechtbank neemt dit advies over.
De straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor een voltooide zware mishandeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen, is een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Een auto kan onder de gegeven omstandigheden gezien worden als wapen. Omdat de rechtbank verdachte veroordeelt voor een poging tot zware mishandeling zal de rechtbank (overeenkomstig de LOVS-oriëntatiepunten) uitgaan van een lager vertrekpunt.
Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van het uitgangspunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft geen strafblad en het lijkt alsof hij zijn leven (verder) op orde heeft. Ten slotte weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat hij spijt heeft betuigd en dat het om een eenmalig incident lijkt te gaan. Gelet hierop acht de rechtbank het niet wenselijk dat verdachte wordt gedetineerd.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Dit brengt de rechtbank uiteindelijk tot de oplegging van een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, waarvan 90 uren voorwaardelijk, te vervangen door 45 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen voor de duur van 12 maanden. Omdat de rechtbank inziet dat het rijbewijs van belang is voor het verkrijgen van werk door verdachte, zal zij deze ontzegging geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren.
8 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 7, 176, 179, 179 a van de Wegenverkeerswet 1994;
9 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde onder feit 1;
verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 90 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Deze beslissing is gegeven ter terechtzitting van de rechtbank op 21 oktober 2026 door mr. P.J. Verbeek, voorzitter, mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop en mr. E.C. van Geemen, griffiers.
Mrs. Van Laethem en Van Leeuwen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026202269, gesloten op 27 april 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal Aanrijding misdrijf, p. 7-8.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 77.
- Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 54.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.