Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Gelderland, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8239Zaaknummer 05/022890-26
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 05/022890-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vrouw veroordeeld voor mishandeling, wederspannigheid en overtreding van de Wet Wapens en Munitie door bezit van een afbreekmes. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid.
Beslissing op de vordering benadeelde partij
- veroordeelt verdachte in verband met feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van:- € 22,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 278,36 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2], een bedrag te betalen van:- € 22,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 278,36 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als deze bedragen niet worden betaald, kunnen 8 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
| Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/022890-26
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Iran),
wonende aan [adres] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats].
Raadsman: mr. H.O. den Otter, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever 1] van het leven te beroven, heeft verdachte met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp
in/tegen de halsstreek, althans het bovenlichaam van die [aangever 1] gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] ,opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft verdachte met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de halsstreek, althans het bovenlichaam van die [aangever 1] gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen [aangever 1] heeft mishandeld, door met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de halsstreek, althans het bovenlichaam van die [aangever 1] te steken en/of te snijden en/of door die [aangever 1] met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp op het hoofd te slaan en/of door die [aangever 1] op het hoofd, althans het (boven)lichaam te stompen
en/of te slaan en/of door die [aangever 1] (met kracht) bij de armen vast te pakken en/of vast te houden;
feit 2
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 2] (opsporingsambtenaar) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft verdachte met een afbreekmes, althanss met een scherp en/of puntig voorwerp in de knieholte en/of het kuitbeen, in ieder geval in het
onderlichaam van die [aangever 2] gestoken en/of te gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 2], brigadier van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten als degene die verdachte had staande gehouden en/of aangehouden en/of vastgepakt op verdenking van een overtreding van de Wet
Wapens en Munitie, in ieder geval op verdenking van enig strafbaar feit, door met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de knieholte en/of het kuitbeen, in ieder geval in/tegen het onderlichaam van die [aangever 2] te steken en/of te snijden,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een snijwond bij die [aangever 2] ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen, [aangever 2], brigadier van politie heeft mishandeld, door met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de knieholte en/of het kuitbeen, in ieder geval in/tegen het onderlichaam van die [aangever 2] te steken en/of te snijden, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
feit 3
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een afbreekmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden
aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [_3ea66f33-e2af-471b-95c9-04aaf6e3538a]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De officier van justitie heeft daarnaast gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde onder feit 2. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde wederspannigheid en aan feit 3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte integraal vrij te spreken van feit 1, nu het opzet geheel ontbrak. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat verdachte eveneens integraal dient te worden vrijgesproken, nu het opzet en de wederrechtelijkheid ontbrak. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich ook gerefereerd ten aanzien van feit 3.
Beoordeling door de rechtbank
Op 22 januari 2026 om 11:08 uur werd door de meldkamercentralist aan politie-eenheden de melding uitgegeven om naar [adres] te Wageningen te gaan. Een vrouw zou al schreeuwend een stanleymes uit haar zak hebben getrokken. Verbalisant [aangever 2] zag de hem ambtshalve bekende [verdachte] (hierna: verdachte) lopen. Hij zag dat verdachte in haar rechterhand een uitgeschoven stanleymes vasthield.[_8956c8f3-81dd-403b-9cc5-c8d4bde4f003] Toen verdachte de politie zag, rende zij weg. In een steegje bleef zij stilstaan. Verbalisant [aangever 2] hoorde zijn collega [verbalisant 1] tegen verdachte zeggen: "Je bent aangehouden, laat dat mes vallen anders ga ik stroom gebruiken." Hier voldeed verdachte niet aan. Zij liep weer weg. Op enig moment kreeg verbalisant [aangever 2] verdachte naar de grond. Verbalisant [aangever 2] zag dat verdachte met het stanleymes zwaaide. Verdachte maakte met het stanleymes horizontale zwaaiende en snijdende bewegingen in zijn richting. [aangever 2] voelde het stanleymes horizontaal over zijn linker broekspijp / scheen / kuitbeen snijden. Hij voelde op dat moment wel dat hij gesneden was, maar voelde door de adrenaline nog geen pijn. Verdachte bleef zwaaien met het stanleymes. [aangever 2] sloeg tweemaal met kracht met zijn wapenstok tegen de linkerschouder/bovenarm van verdachte. Hij zag dat verdachte met het stanleymes bleef zwaaien in zijn richting. Hij trachtte éénmaal met zijn wapenstok het stanleymes uit haar hand te slaan. Dit lukte niet omdat verdachte het stanleymes erg stevig vasthield. Het lukte verdachte om op te staan en weer weg te rennen richting het Plantsoen. Toen verbalisant [aangever 2] het hoekje om rende zag hij verdachte dicht op een meisje staan. Op het moment dat verbalisant [aangever 2] verdachte van achteren naderde, zag hij dat verdachte haar rechterhand, voorzien van het uitgeschoven stanleymes, naar achteren
haalde. Hij zag dat de rechterhand en arm van verdachte vervolgens naar voren ging in de
richting van het gezicht / de hals van het meisje. [aangever 2] gaf verdachte een klap met zijn taser waardoor verdachte op de grond viel. [aangever 2] dook vervolgens op verdachte en plaatste zijn rechterknie op de beide polsen van verdachte. [aangever 2] riep naar verdachte dat zij haar verzet moest staken en moest meewerken. Verdachte wilde het stanleymes niet loslaten. Verbalisant [verbalisant 1] riep dat verdachte los moest laten. Verdachte gaf hier geen gevolg aan. Verbalisant [verbalisant 1] gaf verdachte een paar vuistslagen in haar rechterzij en kon het mes uit de handen van verdachte trekken. Verdachte werd vervolgens door verbalisanten [verbalisant 1] en [aangever 2] aangehouden.
Verbalisant [aangever 2] deed zijn linker broekspijp omhoog en zag dat hij een snee van (geschat) vijf centimeter in zijn kuitbeen had. De snee zat tussen en op een hoogte net onder zijn knie en knieholte.[_a6b08934-f822-4ffc-9e6d-ceeb055aab4c]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen beschreven dat hij [aangever 2] hoorde zeggen dat hij was gesneden. [verbalisant 1] zag hierna een snee in het kuitbeen van [aangever 2] zitten.[_d82b6109-9b45-4344-a6a1-90bcd2e31e35]
Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij zag dat de vrouw (de rechtbank begrijpt: verdachte) recht op haar af kwam rennen. Aangeefster hoorde agenten schreeuwen dat verdachte het mes moest laten vallen. Verdachte werd vervolgens door de agenten getaserd. Op dat moment stond verdachte recht voor aangeefster. Verdachte pakte aangeefster toen bij haar bovenarmen.[_d7046d9e-738a-470d-9cd4-93bc08c29198] Verdachte ging half achter aangeefster staan. Verdachte sloeg haar meerdere keren op haar hoofd. Aangeefster voelde dat zij zeker twee keer werd geraakt. Toen de politieagent verdachte bij haar wegduwde, voelde zij iets schrijnendst op haar kaak, onder haar oor.[_8e5c1af2-c517-4569-9784-b53b0ea17210] Aangeefster heeft aan dit incident een kleine schram bij haar kaak en hoofdpijn overgehouden.[_c5125b79-62dc-4fbe-8377-21b3aaf6b589]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij verdachte door de steeg zag rennen in de richting van het Plantsoen. Verdachte had een voorwerp in haar hand. Hij zag op dat moment een jonge vrouw over de stoep lopen, komende vanuit de Stationsstraat. Hij zag dat verdachte richting de Stationsstraat rende. Op dat moment passeerde verdachte de jonge dame. [getuige] zag dat verdachte met het voorwerp in haar handen op het hoofd van de jonge vrouw sloeg. Hij zag de jonge vrouw vervolgens naar de grond gaan.[_b60228d6-4b96-4357-8efe-bdc71721cd3c]
feit 1
Primair - poging doodslag
Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging doodslag is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [aangever 1]. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte vol opzet (willens en wetens) had op de dood van aangeefster.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier ook onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat door het handelen van verdachte aangeefster zou kunnen komen te overlijden, en dus dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood. Verdachte had weliswaar een mes in haar handen toen zij aangeefster vastgreep, maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen hoe verdachte aangeefster heeft benaderd of heeft geraakt met het mes. Aangeefster zag in eerste instantie niet dat verdachte een mes in haar handen had. Zij had pas in de gaten dat verdachte een mes vasthad, toen verbalisanten verdachte naar de grond hadden gewerkt. Dat aangeefster in haar aangifte heeft verklaard dat verdachte met het mes op haar hoofd instak, roept daarom voor de rechtbank de vraag op of sprake is van een waarneming of een conclusie. In haar aanvullende verklaring verklaarde aangeefster enkel dat zij door verdachte op haar hoofd is geslagen. Aan het incident heeft aangeefster een kleine schram bij haar kaak en hoofdpijn opgelopen. Het letsel en de pijn lijken, aldus de rechtbank, beter te passen bij het slaan op het hoofd dan het steken of snijden met een mes. Onder de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.
Subsidiair - poging zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte op (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [aangever 1].
De rechtbank kan op basis van het dossier enkel vaststellen dat verdachte op het hoofd van aangeefster heeft geslagen, met een schram en hoofdpijn tot gevolg. Uit het dossier volgt onvoldoende dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, en dus van voorwaardelijk opzet hierop. Dat verdachte een mes in haar handen had tijdens het slaan, maakt nog niet dat sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde.
Meer subsidiair - mishandeling
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte pijn en letsel heeft toegebracht aan het hoofd van aangeefster. Dit deed zij door ten minste twee keer op het hoofd van aangeefster [aangever 1] te slaan.
De rechtbank is van oordeel dat – anders dan gesteld door de raadsman – de door de psychiater geconcludeerde (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van opzet. Een psychische stoornis die een toerekening in de weg staat, sluit alleen het aannemen van opzettelijk handelen uit, wanneer er sprake is van een verdachte ‘die van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken’. De psychiater rapporteert in de PJ-rapportage dat het mogelijk is dat verdachte nog wel het inzicht had in de ongeoorloofdheid van de haar ten laste gelegde feiten. Nu niet is vastgesteld dat sprake is van een verdachte die van elk inzicht is verstoken, is de rechtbank van oordeel dat haar psychische stoornis het aannemen van opzettelijke handelen niet uitsluit.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling.
feit 2
Primair - poging zware mishandeling
Ook ten aanzien van feit 2 primair is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen oordelen dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijk kans ontstond op zwaar lichamelijk letsel. Weliswaar heeft verdachte met een uitgeschoven stanleymes om haar heen gezwaaid en verbalisant [aangever 2] in zijn onderbeen gesneden, op basis van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat die snee op het onderbeen zwaar lichamelijk letsel had kunnen veroorzaken. Bovendien maakt ook de positie waarin verdachte zich op dat moment bevond, namelijk liggend op de grond als gevolg van een trap van verbalisant [aangever 2], dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [aangever 2].
Verdachte zal dus worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
Subsidiair - wederspannigheid
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verbalisanten [aangever 2] en [verbalisant 1] tegen verdachte hebben gezegd dat zij was aangehouden. Daarnaast hebben de verbalisanten verdachte getaserd, vastgepakt en naar de grond gebracht en diverse malen gezegd dat verdachte haar verzet diende te staken. Uit de verklaringen van de verbalisanten volgt dat verdachte zich desondanks bleef verzetten tegen haar staandehouding en aanhouding, onder andere door zwaaiende bewegingen te maken met het stanleymes. Verbalisant [aangever 2] heeft als gevolg van het handelen van verdachte een snee op zijn onderbeen opgelopen.
Onder verwijzing naar de overweging ten aanzien van feit 1 (meer subsidiair) is de rechtbank van oordeel dat de psychische stoornis het aannemen van opzettelijk handelen niet uitsluit.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid met lichamelijk letsel tot gevolg. Feit 2 subsidiair is dus wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Bekennende verdachte
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 49;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 60-62;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 oktober 2026.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1 (meer subsidiair)
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen [aangever 1] heeft mishandeld, door met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de halsstreek, althans het bovenlichaam van die [aangever 1] te steken en/of te snijden en/of door die [aangever 1] met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp op het hoofd te slaan en/of door die [aangever 1] op het hoofd, althans het (boven)lichaam te stompen
en/of te slaan en/of door die [aangever 1] (met kracht) bij de armen vast te pakken en/of vast te houden;
feit 2 (subsidiair)
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 2], brigadier van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten als degene die verdachte had staande gehouden en/of aangehouden en/of vastgepakt op verdenking van een overtreding van de Wet
Wapens en Munitie, in ieder geval op verdenking van enig strafbaar feit, door met een afbreekmes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen de knieholte en/of het kuitbeen, in ieder geval in/tegen het onderlichaam van die [aangever 2] te steken en/of te snijden,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een snijwond, bij die [aangever 2] ten gevolge heeft gehad;
feit 3
zij op of omstreeks 22 januari 2026 te Wageningen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een afbreekmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden
aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
mishandeling
feit 2 (subsidiair)
wederspannigheid, terwijl de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben
feit 3
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging, nu uit het Pro Justitia-rapport volgt dat bij verdachte stoornissen aanwezig waren ten tijde van de strafbare feiten. De feiten kunnen verdachte in het geheel niet worden toegerekend, nu verdachte door deze stoornissen haar wil niet in vrijheid kon bepalen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman omarmt de conclusies van de PJ-rapportage van de psychiater. Hij heeft de rechtbank verzocht om zijn cliënte dan ook te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Beoordeling door de rechtbank
Ontslag van alle rechtsvervolging
Over verdachte is op 3 juli 2026 een rapport opgemaakt door psychiater dr. T.W.D.P van Os. Volgens de psychiater is er bij verdachte sprake van schizofrenie dan wel een schizo-affectieve stoornis die tot uiting komt in psychotische symptomen, te weten formele denkstoornissen (in de war zijn), oordeel en kritiekstoornissen (gebrek aan reflectief vermogen) en waandenkbeelden. Mogelijk zijn er ook hypomane kenmerken zoals gestuwd denken en dysfore stemming. Op basis van het dossier en huisartsinformatie kan gesteld worden dat er sprake is van een gelijktijdigheidsverband tussen de vastgestelde psychotische stoornis en de haar ten laste gelegde feiten. Nadat verdachte met medeweten van de huisarts haar anti-psychotische medicatie was gestopt, raakte ze toenemend ontregeld. Ze was in de war en de omgeving sloeg alarm. Er was sprake van ernstige zelfverwaarlozing, een vervuild huis en geen verwarming. Ook at en dronk verdachte niet en ging haar gezondheid achteruit.
De psychiater komt tot het advies om de aan verdachte ten laste gelegde feiten, indien bewezen, niet toe te rekenen. Het is mogelijk dat verdachte nog wel het inzicht had in
de ongeoorloofdheid van de haar ten laste gelegde feiten. De psychiater maakt uit
alle gegevens van het dossier en haar toestandsbeeld kort nadien op dat ze geen
grip meer had op haar handelen en haar wil niet meer in vrijheid kon bepalen.
De rechtbank neemt het advies van de psychiater over en is van oordeel dat het bewezenverklaarde in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is aldus niet strafbaar en om die reden zal de rechtbank haar ontslaan van alle rechtsvervolging.
Zorgmachtiging
De rechtbank heeft in de zaak met rekestnummer 208149, die tegelijk met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) verleend. De rechtbank heeft deze beslissing bij voorraad uitvoerbaar verklaard. De rechtbank acht het daarbij noodzakelijk dat verdachte direct na verlening van de zorgmachtiging voor de duur van 6 weken wordt opgenomen op een klinische afdeling van [instelling]. Zij dient dus vanuit de penitentiaire inrichting direct te worden overgeplaatst naar de kliniek.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis zal dan ook worden bepaald dat deze wordt opgeheven met ingang van het moment dat verdachte door de Dienst Vervoer en Ondersteuning aan de zorg van [instelling] wordt overgedragen.
7 De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 300,36 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij goed is onderbouwd en volledig kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft gewezen op het feit dat de benadeelde partij schade heeft opgelopen door toedoen van een verward persoon. Om die reden is verzocht de vordering te matigen.
Overweging van de rechtbank
Ter terechtzitting van 7 oktober 2026 is eveneens een door de officier van justitie ingediend verzoekschrift behandeld om een zorgmachtiging voor verdachte te verlenen. Bij beslissing van vandaag heeft de rechtbank deze zorgmachtiging in een separate beslissing verleend. Nu aan verdachte met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging is afgegeven op de gronden, genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel 1°, 2° of 4°, van de Wet forensische zorg, is de benadeelde partij ontvankelijk in zijn vordering.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, bestaande uit het eigen risico en de littekencrème, voldoende is onderbouwd en zal deze, nu deze niet is betwist, integraal toewijzen (€ 300,36).
Smartengeld
Uit de bewezenverklaring volgt dat verdachte letsel heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Daaruit volgt al de onrechtmatige daad jegens de benadeelde partij zoals bedoeld in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding nu hij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij kijkt de rechtbank ook naar de bedragen die genoemd worden in de ‘Rotterdamse schaal’. Anders dan de benadeelde partij zoekt de rechtbank in dat kader aansluiting bij het hoofdstuk ‘licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden’. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het litteken van de benadeelde, gelet op de plek waar het zit, een niet-ontsierend litteken is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot smartengeld. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd:
- Ten aanzien van de (materiële) schadepost ‘littekencrème’, vanaf 22 januari 2026;
- Ten aanzien van de (materiële) schadepost ‘eigen risico’, vanaf de factuurdatum van het eigen risico, te weten 9 mei 2026;
- Ten aanzien van het smartengeld, vanaf 22 januari 2026.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Matiging
Tot matiging, zoals bedoeld in artikel 6:109 Burgerlijk Wetboek en bepleit door de verdediging, zal de rechtbank niet overgaan. Gesteld noch gebleken is dat toekenning van de volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden.
8 De beoordeling van het beslag
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht om het inbeslaggenomen mes te onttrekken aan het verkeer nu dit mes door verdachte is gebruikt bij de strafbare feiten.
Oordeel rechtbank
Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan. Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn voorwerpen die (onder andere) zijn gebruikt bij het strafbare feit maar alleen als zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Het mes zal derhalve worden onttrokken aan het verkeer.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
- 36 b, 36c, 36f, 180, 181 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;
- 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.
10 De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit en het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit;
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
- verklaart verdachte niet strafbaar voor het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 subsidiair en feit 3 bewezenverklaarde en ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat verdachte door de Dienst Vervoer en Ondersteuning aan de zorg van [instelling] is overgedragen;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het mes (voorwerpnummer BZAX8216);
Beslissing op de vordering benadeelde partij
- veroordeelt verdachte in verband met feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van:- € 22,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 278,36 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
- verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2], een bedrag te betalen van:- € 22,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 278,36 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;- € 500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als deze bedragen niet worden betaald, kunnen 8 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
| Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2026. |
Voetnoten
- Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district VVC Rivierenland-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026033699, gesloten op 26 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
- Proces-verbaal van aangifte [aangever 2], p. 30-31.
- Proces-verbaal van aangifte [aangever 2], p. 30-37.
- Proces-verbaal van bevindingen, p. 57-89.
- Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 13.
- Proces-verbaal aanvullend verhoor aangeefster [aangever 1] d.d. 27 januari 2026, aanvullend, p. 1.
- Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 13.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 25-26.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.