Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Gelderland, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:8153Zaaknummer ARN 25/2340
- Instantie
- Rechtbank Gelderland
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- ARN 25/2340
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De SVB is op juiste gronden overgegaan tot de terugvordering van eisers nabestaandenuitkering op grond van de Anw en tot de boeteoplegging. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2340
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. S. Pinar).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de nabestaandenuitkering van eiser op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) tot een bedrag van € 4.883,86 en de boeteoplegging ter hoogte van € 1.334,68 door de SVB. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze terugvordering en boeteoplegging.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB een juiste beslissing heeft genomen. De SVB is op juiste gronden overgegaan tot de terugvordering van eisers nabestaandenuitkering en tot de boeteoplegging. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 10 februari 2025 heeft de SVB een bedrag van € 4.883,86 aan nabestaandenuitkering van eiser teruggevorderd over de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 december 2023 en een boete opgelegd ter hoogte van € 2.441,93. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de SVB de terugvordering gehandhaafd en de hoogte van de boete vastgesteld op € 1.334,86.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de SVB deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt sinds 1 maart 2009 een nabestaandenuitkering.
De afdeling Preventie & Handhaving van de SVB heeft op 6 augustus 2023 een melding ontvangen dat mevrouw [persoon] (hierna: [persoon]) bij eiser is ingetrokken. Deze melding gaf aanleiding voor de SVB om onderzoek te doen naar de relatie tussen eiser en [persoon].
Eiser heeft vervolgens op verzoek van de SVB meerdere formulieren ingevuld over zijn woonsituatie en op 31 januari 2024 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de SVB geconcludeerd dat eiser vanaf 19 januari 2023 een meerpersoonshuishouden voert, omdat [persoon] vanaf die datum bij hem inwoont en is aan te merken als kostendeler.
Bij besluit van 14 februari 2024 heeft de SVB eisers recht op een nabestaandenuitkering ingetrokken per 1 februari 2023. Met het besluit van 7 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij deze intrekking gebleven.
Vervolgens is de SVB overgegaan tot de bestreden besluitvorming, zoals weergegeven onder 2.
De terugvordering
4. Eiser voert aan dat hij niet wist dat hij bij de SVB moest melden dat [persoon] bij hem is komen inwonen en dat [persoon] moest worden opgegeven als kostendeler. Hij heeft wettelijk gezien geen relatie met [persoon] (zij zijn niet getrouwd en hebben geen samenlevingscontract). Daarnaast kan [persoon] geen inkomen genereren aangezien zij de Nederlandse taal (nog) niet machtig is.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep ingesteld heeft tegen de beslissing op bezwaar van 7 augustus 2024, waarbij de SVB de intrekking van eisers nabestaandenuitkering per 1 februari 2023 heeft gehandhaafd. Dit betekent dat de intrekking van de nabestaandenuitkering onherroepelijk is geworden en dat in dit geding alleen aan de orde is of de terugvordering en de opgelegde boete in stand kunnen blijven.
Op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw was de SVB in beginsel gehouden om de onterecht betaalde nabestaandenuitkering van eiser terug te vorderen. Een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht is voor de terugvordering geen voorwaarde.[_76475564-4bc9-402f-9e09-55e51d8743e6] Het betoog van eiser dat hij niet wist dat hij moest melden dat [persoon] bij hem kwam inwonen, slaagt dus niet. Wel kan de SVB op grond van het vijfde lid van hiervoor genoemd artikel besluiten om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn uitleg van het begrip ‘dringende redenen’ verruimd.[_8578fb7f-b905-4be0-83a9-85bcb91e2881] De CRvB ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
Eiser heeft als dringende redenen aangevoerd dat hij door de terugvordering financiële en emotionele stress ervaart.
De SVB heeft in het verweerschrift toegelicht dat geen sprake is van dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Dat eiser niet wist dat hij het moest doorgeven als iemand bij hem kwam inwonen, levert voor de SVB geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. De SVB heeft eiser voldoende geïnformeerd over zijn verplichtingen. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de SVB van een verminderde verwijtbaarheid moest uitgaan. De SVB verwijst in dat kader naar beleidsregel SB1244. Tot slot stelt de SVB dat noch gesteld, noch gebleken is dat eiser verkeert in individuele zodanige bijzondere omstandigheden, dat de SVB op grond van het evenredigheidsbeginsel af zou moeten zien van de terugvordering. De SVB acht daarbij van belang dat eiser verweten kan worden dat hij de mededelingsverplichting heeft geschonden.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van dringende redenen om van de terugvordering af te zien. De terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van de SVB, maar doordat eiser niet heeft gemeld dat [persoon] bij hem inwoont per 19 januari 2023. Van enige verwijtbaarheid aan de kant van de SVB is geen sprake. De SVB heeft immers pas op 6 augustus 2023 een melding ontvangen dat [persoon] bij eiser inwoont en heeft daarop direct aan eiser om informatie gevraagd. Niet kan worden gezegd dat de SVB onvoldoende adequaat en voortvarend heeft gehandeld.
Alhoewel begrijpelijk is dat de terugvordering impact op eiser heeft, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dit zodanig was, dat om deze reden daarvan af had moeten worden gezien. Eiser heeft zijn financiële situatie niet inzichtelijk gemaakt en daarmee ook niet wat de financiële gevolgen van de terugvordering voor hem zijn. Bovendien heeft de SVB tijdens de zitting aangegeven dat nog niet tot de invordering is overgegaan. Ook heeft de SVB toegelicht dat bij de uiteindelijke invordering – waarbij eiser beschermd wordt door de beslagvrije voet – een betalingsregeling zal worden afgestemd op zijn financiële omstandigheden en zijn aflossingscapaciteit.
De boeteoplegging
5. Zoals onder 4.1 is weergegeven, staat vast dat eiser de mededelingsverplichting heeft geschonden door niet (tijdig) te melden dat [persoon] sinds 19 januari 2023 bij hem inwoont. De SVB is daarom in beginsel verplicht om een boete op te leggen. Dit volgt uit artikel 39 van de Anw. De SVB heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De boete is daardoor terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag over de periode vanaf de start van het kostendelerschap tot het bekend worden daarvan bij de SVB. Er is niet gebleken van dringende redenen om van het opleggen van een boete af te zien. Dat eiser niet wist dat hij moest doorgeven dat [persoon] bij hem inwoonde, en dat daarom moet worden afgezien van de boete, volgt de rechtbank niet. Eiser had zich moeten realiseren dat er sprake was van een situatie die relevant kon zijn voor het recht op uitkering en had dit moeten doorgeven aan de SVB. Daar komt bij dat de SVB bij besluiten vermeldt dat veranderingen in (onder andere) de woon- en leefsituatie binnen vier weken moeten worden doorgegeven. Verder heeft eiser onvoldoende (met stukken) onderbouwd dat er sprake is van ernstige sociale en financiële gevolgen. Dat de boete onevenredig is, is ook niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Centrale Raad van Beroep (CRvB) 15 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:43.
- ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.