Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Gelderland, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8119Zaaknummer ARN 25/2786

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/2786
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres stelt voor wat betreft de toeslagjaren 2017 en 2018 niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken te beschikken. Ook is eiseres het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de jaren 2005 tot en met 2015 en 2019. Daarnaast is eiseres het niet eens met de neerwaartse correctie voor toeslagjaar 2016 en is er volgens eiseres sprake van procedurele gebreken. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt wel een schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de dienst tot het betalen van € 1.500 aan schadevergoeding aan eiseres;

- veroordeelt de dienst in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Dienst Toeslagen
  3. Samenvatting
  4. Procesverloop
  5. Beoordeling door de rechtbank
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/2786

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. H. Oude Lenferink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres stelt voor wat betreft de toeslagjaren 2017 en 2018 niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken te beschikken. Ook is eiseres het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de jaren 2005 tot en met 2015 en 2019. Daarnaast is eiseres het niet eens met de neerwaartse correctie voor toeslagjaar 2016 en is er volgens eiseres sprake van procedurele gebreken. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan eiseres toegekende compensatie.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt wel een schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Bij brief van 30 april 2021 heeft de dienst eiseres bericht dat het kabinet op 22 december 2020 heeft besloten gedupeerde ouders minimaal € 30.000 te geven[_9034edc7-b9f4-42fe-8738-1564ab78236c] en dat eiseres in aanmerking komt voor dat bedrag. Dit bedrag is aan eiseres uitbetaald.

2.1.

Met het besluit van 24 april 2023 (het primaire besluit) heeft de dienst eiseres op grond van de Wht een vergoeding van € 4.977 toegekend vanwege vooringenomenheid in de periode januari tot en met juni in het toeslagjaar 2017 en de periode oktober tot en met december in het toeslagjaar 2018. Deze definitieve vergoeding is lager dan het bedrag dat eiseres eerder van de dienst kreeg.

2.2.

Met de beslissing op bezwaar van 15 mei 2025 (bestreden besluit I) heeft de dienst het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.

2.4.

Met de aanvullende beslissing op bezwaar van 8 juni 2026 (bestreden besluit II) heeft de dienst de toeslagjaren 2005 tot en met 2016 en 2019 opnieuw beoordeeld. De dienst komt tot de conclusie dat er geen recht is op een herstelregeling voor deze toeslagjaren.

2.5.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II gronden ingediend.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank

De hersteloperatie toeslagen

3. Vanwege het toeslagenschandaal zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de dienst.

3.1.

De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000 van de zogenoemde Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.

3.2.

Na deze eerste toets kan worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van een integrale beoordeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.

Het toetsingskader

4. Op grond van de Wht kent de dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.[_0087dcd5-dd4e-4b6a-a9ac-ccd85a09135a] De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.[_d7166568-0725-4b62-9c36-bc8cb8a17be7]

4.1.

Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.[_043036ee-73dd-4d47-a7ec-439dbd784d0e]

De besluiten

5. De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit I ziet op de integrale herbeoordeling over de toeslagjaren 2017 en 2018. Naar aanleiding van het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is in overleg besloten om ook andere toeslagjaren te beoordelen. Het bestreden besluit II ziet op de integrale herbeoordeling over de toeslagjaren 2005 tot en met 2016 en 2019. Het bestreden besluit II is daarmee een aanvullende beslissing op bezwaar, omdat daarin een herbeoordeling heeft plaatsgevonden over andere toeslagjaren. Het beroep tegen bestreden besluit I is daarom mede gericht tegen het bestreden besluit II.[_f83763dd-2db1-45f6-81a8-8c7577910d5b]

Heeft de dienst alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

6. Eiseres stelt dat het voor haar onmogelijk is om vast te stellen of de omvang van de compensatie voor de toeslagjaren 2017 en 2018 op het juiste bedrag is vastgesteld. Zij stelt niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken te beschikken waaronder in ieder geval het persoonlijk dossier van eiseres. Op de zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat onbekend is wat er nog in de aangetroffen datakluis zit en of hier informatie in zit die in eiseres haar voordeel kan werken.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de dienst niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De dienst heeft de stukken over de in geschil zijnde toeslagjaren in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kunnen de vaststelling van het recht op compensatie en de berekening daarvan worden getoetst. Het persoonlijk dossier waar eiseres om vraagt bevat alle gegevens van haar die de Belastingdienst en de dienst in hun systemen hebben over haar. Het gaat bij het persoonlijk dossier daarmee niet alleen om documenten over kinderopvangtoeslag, maar ook over andere toeslagen, zoals huur- en zorgtoeslag, en documenten over inkomstenbelasting. De dienst is gehouden om de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het onderhavige geschil aan de bestuursrechter over te leggen. Dit heeft de dienst ook gedaan. Omdat het persoonlijk dossier ook bestaat uit andere dan de voor deze procedure relevante documenten, kan eiseres niet worden gevolgd in haar standpunt dat het persoonlijk dossier overgelegd moet worden. Met het bezwaardossier kan de juistheid van de compensatieberekening namelijk worden gecontroleerd.[_57962aad-b30b-4d88-9641-cf05419b522d] Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om een nader onderzoek te gelasten vanwege het standpunt van eiseres omtrent de datakluis. Door de staatssecretaris van Financiën is in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer toegezegd dat zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de dienst is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.[_4a14641e-7cbb-4b88-ba60-7d65d6babf0c]

Heeft de dienst de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2015 en 2019 terecht afgewezen?

7. Eiseres betoogt dat de dienst ontoereikend heeft gemotiveerd dat er voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2015 en 2019 geen aanvragen zijn gedaan en dat er geen gegevens in de systemen zijn aangetroffen. De dienst specificeert niet welke bronsystemen zijn geraadpleegd, of het zogenoemde RKT-bestand voor het jaar 2005 is gecontroleerd en of het digitaal archief (DAS) voor bezwaarschriften voor 2011 is doorzocht. Eiseres heeft tijdens de ambtelijke hoorzitting in bezwaar aangedragen dat zij zelf destijds geen aanvraag heeft ingediend, maar dat een medewerker van haar gemeente dit (mogelijk) wel heeft gedaan.

7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De dienst stelt dat de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen zijn doorzocht en dat daarbij geen aanvragen, beschikkingen, en/of correspondentie over kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2005 tot en met 2015 en 2019 zijn aangetroffen. De rechtbank heeft geen reden of aanknopingspunten om daaraan te twijfelen. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat zij werkte in deze jaren en dat haar oudste kinderen gebruik maakten van de opvang. De dienst heeft daarop toegelicht dat het kan voorkomen dat de oudste kinderen van eiseres van een gemeentelijke opvangvoorziening gebruik hebben gemaakt. Dit loopt dan niet via de dienst maar via de gemeente, en dergelijke opvang valt niet onder de kinderopvangtoeslag. Uit het dossier blijkt hoe dan ook niet dat eiseres toeslag heeft ontvangen over deze jaren. Er blijkt evenmin dat eiseres toeslag heeft moeten terugbetalen over deze jaren. Eiseres heeft ook geen begin van bewijs aangedragen op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat zij of iemand namens haar daadwerkelijk een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan voor de betreffende toeslagjaren. De enkele stelling dat een medewerker van de gemeente mogelijk een aanvraag heeft gedaan is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet dat eiseres geen vertrouwen meer heeft in de overheid en kan dat, gelet op de achtergrond van het toeslagenschandaal, begrijpen. De rechtbank is echter van oordeel dat de dienst in dit geval deugdelijk de toeslagjaren heeft onderzocht. Dit betekent dat de dienst de aanvraag om compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2015 en 2019 terecht heeft afgewezen.

Neerwaartse correctie voor toeslagjaar 2016

8. Eiseres betoogt dat voor haar onduidelijk is wat in 2017 de aanleiding was voor de controle waardoor een neerwaartse correctie voor toeslagjaar 2016 heeft plaatsgevonden. Eiseres stelt dat de correctie van 8 september 2017 (van € 7.593 naar € 7.260) heeft plaatsgevonden aan de hand van een jaaropgave van de kinderopvanginstelling die zij op

15 mei 2026 heeft overgelegd. Onduidelijk is welke informatie de dienst in 2017 tot haar beschikking had en op basis waarvan de correctie toen is doorgevoerd.

8.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de dienst desgevraagd toegelicht dat de aanleiding voor de neerwaartse correctie niet was gebaseerd op een eigen controle, maar op een vergelijking van de door eiseres in haar aanvraag vermelde uren met de gegevens die door de kinderopvanginstelling zijn doorgegeven. Uit het dossier blijkt ook dat de neerwaartse correctie in toeslagjaar 2016 het gevolg is geweest van gegevens die door de kinderopvanginstelling zijn verstrekt. De dienst stelt zich terecht op het standpunt dat zij mocht vertrouwen op deze gegevens aangezien die gegevens gingen over het kind waarvoor kinderopvangtoeslag was aangevraagd, de kinderopvanginstelling overeenkwam met de aanvraag en er geen tegenbewijs was overgelegd. Daarbij verschilt het aantal uren van de aanvraag (107 opvanguren) niet veel met het uiteindelijk aantal afgenomen opvanguren (103). De rechtbank stelt vast dat de kinderopvangtoeslag voor toeslag 2016 is bijgesteld naar aanleiding van reguliere correcties. Deze reguliere correcties in de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag duiden niet op vooringenomen handelen van de dienst of hardheid van het stelsel. Daar komt bij dat voor compensatie in het betreffende toeslagjaar sprake moet zijn van een verlaging of terugvordering van kinderopvangtoeslag van ten minste

€ 1.500.[_f2846599-ce3e-4eda-845a-0ec7ba8fede2] Ook daar is in dit geval geen sprake van. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dienst heeft kunnen oordelen dat eiseres voor 2016 niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus niet voor compensatie in aanmerking komt.

Procedurele gebreken

9. Eiseres betoogt dat de dienst voor de aanvullende jaren geen formele beschikking heeft genomen, geen vooraankondiging heeft gegeven en geen formele hoorzitting bij de bezwaarschriftenadviescommissie heeft aangeboden. Daarnaast is de beoordeling van deze jaren en het bezwaar daarover door dezelfde ambtenaar behandeld wat volgens eiseres in strijd is met artikel 7:5 van de Awb.

9.1.

De dienst heeft na de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de dienst een beschikking daarover heeft gegeven. [_99238386-e6c3-4f2e-b5ea-3f13086a39f5] Eiseres heeft (ook) in 2016 een beschikking over de kinderopvangtoeslag ontvangen. De aanvraag zag dus in ieder geval ook op dat jaar. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat er een herbeoordeling moest plaatsvinden over 2007 tot en met 2009. De dienst heeft vervolgens de jaren 2005 tot en met 2019 beoordeeld. De herbeoordeling van deze extra toeslagjaren is onderdeel van het ingediende bezwaar en de aanvullende beslissing op bezwaar (bestreden besluit II). De dienst heeft deze jaren terecht in de heroverwegingsfase betrokken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat de beoordeling van de extra toeslagjaren en het bezwaar daarover door dezelfde ambtenaar is verricht. In bezwaar zijn de toeslagjaren 2005 tot en met 2016 en 2019 namelijk voor het eerst beoordeeld. Van strijd met artikel 7:5 van de Awb is daarom geen sprake.

Het verzoek om schadevergoeding

10. Eiseres verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

10.1.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiseres gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiseres.

10.2.

De redelijke termijn in een zaak als deze begint op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De hiervoor genoemde omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Uitgegaan wordt van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

10.3.

Het bezwaarschrift in deze zaak is op 4 mei 2023 door de dienst ontvangen. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en ruim vijf maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om een termijn van meer dan twee jaar gerechtvaardigd te achten. Dat betekent dat de redelijke termijn met één jaar en ruim vijf maanden is overschreden. De dienst heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de vergoeding gematigd moet worden gelet op het procedureverloop. De rechtbank volgt de dienst daar niet in. Eiseres heeft er niet eerder dan op de hoorzitting van 16 december 2024 blijk van gegeven dat zij ook over andere jaren dan 2017 en 2018 gecompenseerd wil worden, maar het is aan de dienst te wijten dat de hoorzitting in bezwaar lang na de indiening van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden. Het uitgangspunt van de dienst is bovendien dat de aanvraag van eiseres betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020. Dit betekent dat de dienst eigenlijk al bij het primaire besluit gehouden was om in ieder geval toeslagjaar 2016, waarin eiseres kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, te betrekken. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de vergoeding te matigen. Dit leidt tot een te vergoeden bedrag voor immateriële schade van € 1.500.

10.4.

Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de dienst toe te rekenen. De dienst moet daarom de schadevergoeding aan eiseres betalen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt in zoverre ook geen vergoeding van haar proceskosten.

11.1.

Eiseres heeft recht op € 1.500 schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De dienst moet dit bedrag betalen. Eiseres heeft verder recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 0,5). De dienst moet deze vergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de dienst tot het betalen van € 1.500 aan schadevergoeding aan eiseres;

- veroordeelt de dienst in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Dit betreft de zogenoemde Catshuisregeling.
  2. Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
  3. Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
  4. Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
  5. Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  6. ECLI:NL:RVS:2025:2864.
  7. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3654.
  8. Artikel 2.1, vierde lid, van de Wht.
  9. De dienst heeft zich daarbij gebaseerd op een uitspraak van rechtbank Rotterdam van 17 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13134.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.