Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Gelderland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8093Zaaknummer ARN 25/3631

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 25/3631
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toestemming verleend voor ingebruikname van een natuurbegraafplaats. Beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/3631

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026

in de zaak tussen

Stichting Red de Kalenberg, uit Barchem, eiseres 1,

Stichting Natuurbegraafplaatsen-waaromniet.nl, uit Rotterdam, eiseres 2,

[eiser 3], uit [plaats], eiser 3,

[eiser 4], uit [plaats], eiseres 4,

samen: eisers

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, de provincie,

(gemachtigde: mr. J.A.E. Ross).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

Stichting Beheer Landgoed De Kalenberg, uit Zutphen, de stichting,

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, de gemeente,

(gemachtigde: mr. M. Oldenboom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door de gemeente verleende toestemming aan de stichting voor de ingebruikname van een bijzondere begraafplaats op de Kalenberg in Barchem. Eisers zijn het niet eens met de verleende toestemming. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende toestemming.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de provincie het administratief beroep van eisers 3 en 4 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, het administratief beroep van eisers 1 en 2 terecht ongegrond heeft verklaard en de verleende toestemming voor het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats terecht in stand heeft gelaten. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 15 januari 2025 heeft de gemeente aan de stichting op grond van artikel 41 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) toestemming verleend voor het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats op de Kalenberg in Barchem. Tegen deze toestemming hebben eisers administratief beroep ingesteld bij de provincie.[_f93246d2-4c28-4387-8050-6eedab1e36c8] Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het administratief beroep van eisers heeft de provincie de verleende toestemming in stand gelaten.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, vertegenwoordigd door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], eiseres 4, de provincie en de derde-partijen, vertegenwoordigd door de gemachtigden. Eisers 2 en 3 zijn niet ter zitting vertegenwoordigd dan wel verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Zijn eisers 3 en 4 belanghebbenden?

3. Eisers 3 en 4 betogen dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, omdat zij in de directe nabijheid van de locatie van de natuurbegraafplaats wonen. De afstand van het kadastrale perceel van eiseres 4 tot de natuurbegraafplaats bedraagt 290 meter. Het perceel grenst aan de Kalenberg en wordt enkel onderbroken door een pad. Daarbij doen eisers een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juli 2020[_00f42893-4574-4a47-8c49-5e985cdb13de] over aangrenzende percelen.

3.1.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Die persoon onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn kijkt de rechtbank naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.[_cb50b8a0-f3a9-4868-95dc-8e468d985414]

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de provincie terecht stelt dat eisers 3 en 4 geen belanghebbenden zijn, omdat zij geen gevolgen van enige betekenis van het besluit ondervinden. Eisers 3 en 4 wonen in een bosrijk gebied op 290 tot 400 meter afstand van de locatie van de natuurbegraafplaats en hebben geen direct zicht op de natuurbegraafplaats. De locatie van de natuurbegraafplaats is namelijk niet aan de zijde van de Kalenberg gelegen waar eisers 3 en 4 zicht op hebben, maar aan de andere zijde. Ook de gevreesde gevolgen van het besluit voor het verkeer zijn naar het oordeel van de rechtbank te beperkt om te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. De gevreesde overlast van rouwstoeten door de straat waar eisers wonen zal, gelet op de verwachte frequentie van twee natuurbegrafenissen per maand en de aanwezigheid van meerdere toegangswegen, gering zijn. Dat geldt ook voor het overige verkeer van bezoekers van de natuurbegraafplaats. De verwachte toename van verkeer is zodanig beperkt dat een noemenswaardige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers 3 en 4 niet aannemelijk is. Daarmee is niet aannemelijk dat eisers 3 en 4 zelf gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van de ingebruikname van natuurbegraafplaats. Eisers 3 en 4 worden door de verleende toestemming aldus niet direct geraakt in een persoonlijk belang dat hen onderscheidt van andere inwoners in de nabijheid van de natuurbegraafplaats.

3.3.

De verwijzing van eisers 3 en 4 naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, waarin de Afdeling overweegt dat bewoners en eigenaren van aangrenzende percelen in beginsel belanghebbenden zijn, treft geen doel. Het perceel, het plangebied, waarop de ingebruikname van de natuurbegraafplaats is voorzien, grenst namelijk niet direct aan het perceel van eiseres 4. Dat het perceel van eiseres 4 grenst aan percelen die ook in eigendom zijn van de stichting, maakt dit niet anders, nu de verleende toestemming niet ziet op die percelen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de situatie is gelijk te stellen met aangrenzende percelen.

3.4.

Het vorenstaande betekent dat de provincie het administratief beroep, voor zover dat is ingediend door eisers 3 en 4, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.5.

De rechtbank is verder van oordeel dat eisers 1 en 2, gelet op hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden, belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. Hierna beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eisers 1 en 2.

Heeft de provincie de verleende toestemming voor het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats op de Kalenberg in Barchem terecht in stand gelaten?

4. Eisers 1 en 2 betogen dat de gemeente beleidsvrijheid heeft en dat de gemeente had moeten beoordelen of het openbaar belang dat in een gepaste lijkbezorging wordt voorzien zich verzet tegen ingebruikname van de natuurbegraafplaats op de Kalenberg. Daarbij had de gemeente omgevingsgerelateerde aspecten moeten meewegen. De provincie heeft de beroepsgronden die de fysieke leefomgeving/ruimtelijke ordeningsaspecten betreffen ten onrechte niet beoordeeld. Eisers onderbouwen dit betoog met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018.[_eb5dcef0-4108-431d-9c85-f69bfb948189]

4.1.

In artikel 41 van de Wlb is bepaald dat voor het in gebruik nemen van de bijzondere begraafplaats of van een deel daarvan, toestemming van burgemeester en wethouders nodig is en dat deze toestemming slechts wordt geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan.

4.2.

Het betoog van eisers slaagt niet. Het toetsingskader van artikel 41 van de Wlb is, anders dan eisers betogen, beperkt. De gemeente mag de vergunning slechts weigeren als de ingebruikname van de begraafplaats niet voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten die uit de Wlb en het Besluit op de lijkbezorging (Blb) voortvloeien. Daarbij heeft de gemeente, gelet op de tekst van het artikel, geen beleidsvrijheid en mag de gevraagde toestemming slechts worden geweigerd als de ingebruikname van de begraafplaats in strijd is met direct uit de Wlb en het Blb voortvloeiende voorschriften. De gronden van eisers die zien op omgevingsgerelateerde aspecten maken geen onderdeel uit van het toetsingskader van een besluit op grond van artikel 41 van de Wlb. Deze omgevingsgerelateerde aspecten komen namelijk niet aan de orde bij de beoordeling of aan de uit de Wlb en het Blb voortvloeiende voorschriften is voldaan. Deze gronden die zien op de fysieke leefomgeving/ruimtelijke aanvaardbaarheid kunnen wel aan de orde komen in de lopende procedure tegen het bestemmingsplan ‘Natuurbegraven op de Kralenberg Barchem’. Ook voor de volgens eisers vereiste toetsing of het openbaar belang van gepaste lijkbezorging zich verzet tegen ingebruikname van de natuurbegraafplaats, ziet de rechtbank geen ruimte.

4.3.

In de door eisers genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2018 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Deze uitspraak ziet op een ander artikel, namelijk artikel 53 van de Wlb, waarin is bepaald dat het vestigen, uitbreiden of wijzigen van een crematorium een vergunning behoeft van burgemeester en wethouders. Op grond van dit artikel heeft de gemeente beleidsruimte. Die ruimte heeft de gemeente op grond van artikel 41 van de Wlb niet.

4.4.

Van schending van regels uit de Wlb of het Blb is de rechtbank niet gebleken. Dat de ingebruikname van een bijzondere begraafplaats op de Kalenberg volgens de verleende toestemming slechts mag in overeenstemming met de regels uit het bestemmingsplan maakt niet dat de juistheid van de in dat bestemmingsplan opgenomen regels daarom in deze procedure aan de orde kan komen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Artikel 42 van de Wlb.
  2. ECLI:NL:RVS:2020:1671.
  3. Zie bijvoorbeeld ABRS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5417, ro. 10.2.
  4. ECLI:NL:RVS:2018:2866.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.