Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Gelderland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8088Zaaknummer ARN 24/3368

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 24/3368
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het UWV heeft besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van de door eiser ontvangen toeslag op zijn WIA-uitkering genomen. In geschil is of sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien. De rechtbank is van oordeel dat het UWV alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering voldoende heeft meegewogen. Het UWV heeft in de oorzaak noch de gevolgen van de terugvordering aanleiding hoeven zien om de terugvordering verder te matigen. Beroep ongegrond.

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/3368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

en

de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, (hierna: de Staat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening, terugvordering en invordering van de door eiser ontvangen toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) op zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 1 februari 2021 tot 1 februari 2024. Eiser is het niet eens met die beslissingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening, terugvordering en invordering van de toeslag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV juiste beslissingen heeft genomen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Wel kent de rechtbank aan eiser een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft de besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van de door eiser ontvangen toeslag genomen op 30 januari 2024 en 31 januari 2024. Met het besluit van 10 mei 2024 (bestreden besluit 1) op de bezwaren van eiser is het UWV bij deze besluiten gebleven. Deze beslissingen hebben betrekking op een langere periode dan de periode vermeld in rechtsoverweging 1.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.

2.2.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft op 2 augustus 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen.

2.3.

Eiser heeft zijn zienswijze gegeven op het bestreden besluit 2. Het UWV heeft daarop gereageerd in een tweede verweerschrift.

2.4.

Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt. De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer.[_999ef42f-d748-4a00-b03f-82d974410baa]

2.5.

De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de partner van eiser en de gemachtigde van het UWV.

2.6.

Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te verstrekken.

2.7.

Het UWV heeft op 30 juni 2026 nadere informatie verstrekt. Eiser heeft hier op 15 juli 2026 op gereageerd.

2.7.

Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.[_992f5bfa-3a6e-4077-a2db-f77557ee417d]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser ontvangt een IVA[_0877991c-0994-4e86-bee1-d5a8c33f2b6b]-uitkering. Met ingang van 1 januari 2009 is aan eiser een toeslag op zijn IVA-uitkering toegekend. Met een brief van 29 oktober 2010 heeft het UWV aan eiser meegedeeld dat hij zijn inkomsten en die van zijn partner moet doorgeven, omdat die mogelijk van invloed kunnen zijn op zijn toeslag. Op een bij deze brief gevoegd formulier dat eiser op 1 november 2010 heeft ondertekend, heeft hij meegedeeld dat hij noch zijn partner werk heeft.

3.1.

De partner van eiser is met ingang van 10 oktober 2019 gaan werken. Met een brief van 28 september 2023 heeft het UWV eiser meegedeeld dat uit gegevens blijkt dat zijn partner inkomen uit arbeid heeft. Het is niet duidelijk wat dat betekent voor zijn uitkering en toeslag, maar waarschijnlijk worden die lager. Daarom wordt de toeslag met ingang van 1 oktober 2023 omgezet in een voorschot. Bij een besluit van 30 januari 2024 is de toeslag ingaande 1 januari 2024 beëindigd. Met een tweede besluit van 30 januari 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 nog toeslag heeft ontvangen en dat eiser deze toeslag van bruto € 236,86 moet terugbetalen, omdat alleen recht bestaat op toeslag als het inkomen van eiser en zijn partner lager is dan het sociaal minimum.

3.2.

Met het (in rechtsoverweging 2. vermelde) besluit van 30 januari 2024 heeft het UWV de toeslag over de periode van 10 oktober 2019 tot en met 31 december 2023 herzien. Het ontvangen bedrag is hoger dan waar eiser recht op had en daarom moet hij de teveel betaalde toeslag van bruto € 17.231,16 terugbetalen. Met het (ook in rechtsoverweging 2. vermelde) besluit van 31 januari 2024 heeft het UWV de teveel betaalde toeslag van € 17.231,16 van eiser ingevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 30 januari 2024 en 31 januari 2024. Met bestreden besluit 1 is het UWV bij de besluiten van 30 en 31 januari 2024 gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.

3.3.

Het UWV heeft vervolgens het bestreden besluit 2 genomen. Het UWV heeft het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard. Het UWV is tot de conclusie gekomen dat wel sprake is van een dringende reden die aanleiding geeft om ten dele van terugvordering af te zien en dat de terugwerkende kracht van de terugvordering daarom moet worden beperkt tot drie jaar. Dat betekent dat de teveel betaalde toeslag over de periode van 1 februari 2021 tot 1 februari 2024 wordt teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 13.865,60 inclusief vakantietoeslag. Verder heeft het UWV de kosten vergoed die eiser heeft gemaakt om bezwaar te maken.

Omvang geding

4. Met het bestreden besluit 2 heeft het UWV opnieuw op het bezwaar beslist en het bestreden besluit I gewijzigd in die zin dat de terugvordering wordt beperkt tot drie jaar. Het bestreden besluit II komt niet geheel tegemoet aan de bezwaren van eiser, zodat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede daartegen is gericht. Niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van (enig onderdeel van) het bestreden besluit 1. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1 wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Dringende reden

5. Niet in geschil is dat eiser de inkomsten van zijn partner niet aan het UWV heeft doorgegeven en dat eiser door de inkomsten van zijn partner vanaf 10 oktober 2019 en dus ook vanaf 1 februari 2021 geen recht had op toeslag. Gelet op artikel 11a, eerste lid, van de TW en artikel 20, eerste lid, van de TW was het UWV daarom gehouden de onverschuldigd betaalde toeslag te herzien en terug te vorderen. Dit is alleen anders indien sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van zo’n dringende reden, nu de oorzaak van de hoge terugvordering niet volledig aan hem te wijten is en de gevolgen voor hem en zijn vrouw zeer groot zijn.

5.1.

Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024[_d617540c-5fa7-41bf-bc00-3cecc610af1f] heeft de Centrale Raad van Beroep (Raad) zijn uitleg van het begrip dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het UWV of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.[_459f7eb8-fcbd-4660-a972-099c1cc4b308]

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat het UWV met het bestreden besluit 2 alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering voldoende heeft meegewogen. Het UWV heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden de terugvordering verder te matigen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV geen aandeel gehad in het ontstaan van de terugvordering. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de oorzaak van de terugvordering mede aan het UWV is te wijten, omdat het UWV niet eerder controlemechanismen heeft ingericht voor partnerinkomsten. Het UWV heeft uiteengezet dat er als gevolg van de start van de uitbreiding van de abonnementenservice, die nieuwe inkomsten signaleert van een partner van een verzekerde met toeslag, een veegactie heeft plaatsgevonden in september 2023. Er zijn niet eerder partnercontroles verricht, omdat er in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming geen toestemming was om zonder directe aanleiding onderzoek te doen naar andere personen dan de verzekerde. Er is geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan het UWV gehouden was om de bestaande abonnementenservice eerder uit te breiden met het signaleren van inkomsten van de partner van een verzekerde. Direct nadat het UWV bekend raakte met de inkomsten van de partner heeft het UWV onderzoek verricht naar het recht op toeslag van eiser en zijn er over dat recht binnen enkele maanden beslissingen genomen waardoor de toeslag binnen een redelijke termijn is beëindigd. Dat eiser na 2010 geen brieven heeft ontvangen waarin hij werd gewaarschuwd dat veranderingen in zijn inkomsten of die van zijn partner van invloed konden zijn op de toeslag, ontslaat eiser niet van de verplichting om uit eigen beweging wijzigingen door te geven. Verder is niet aannemelijk geworden dat de partner van eiser naar het UWV heeft gebeld met de mededeling dat zij zou gaan werken en dat aan haar is meegedeeld dat haar inkomsten geen invloed zouden hebben op de uitkering van eiser.

5.4.

Het UWV heeft in de persoonlijke omstandigheden, waaronder het feit dat eiser en zijn partner ziek zijn, en de financiële omstandigheden, zoals dat het inkomen van de partner van eiser lager is nu haar loon is omgezet naar ziekengeld, aanleiding gezien om de terugvordering tot drie jaar te beperken. Hiermee heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewicht toegekend aan de gevolgen van de terugvordering voor eiser. Ook is er rekening mee gehouden, zo heeft het UWV uiteengezet, dat sprake was van verminderde alertheid bij eiser in de periode nadat zijn partner inkomsten had en de toeslag daarna niet is gewijzigd. Bovendien is de eerder afgesproken terugbetalingsregeling op nihil gezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV daarom in de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering geen aanleiding hoeven zien om de terugvordering verder te matigen.

Verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn

6. Eiser verzoekt om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM.

6.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar maximaal een half jaar en de behandeling van het beroep maximaal anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Tot de omstandigheden die een langere behandelingsduur kunnen rechtvaardigen worden onder meer gerekend de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen. Zulke omstandigheden doen zich hier niet voor.

6.2.

Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Als sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.

6.3.

In deze zaak is het bezwaarschrift ontvangen op 7 februari 2024. Het bestreden besluit 1 is genomen op 10 mei 2024. Het beroepschrift is ontvangen op 24 mei 2024. Uitgaande van de datum van deze uitspraak heeft de fase van bezwaar en beroep in totaal twee jaar en ruim acht maanden geduurd. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn van acht maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De behandeling van het bezwaar is binnen de termijn van zes maanden gebleven. Dat betekent dat de oorzaak van de te lange duur van de procedure in de beroepsprocedure ligt en de overschrijding van de redelijke termijn in het geheel wordt toegerekend aan de Staat. De Staat moet dus de schadevergoeding van € 1.000 betalen.

6.4.

Ook de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn moet de Staat betalen. Deze bedragen € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5 en een waarde van € 934 per punt).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het UWV moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit, omdat het bestreden besluit 2 in beroep is genomen. Eiser krijgt om die reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook krijgt hij een schadevergoeding van de Staat van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding van zijn proceskosten in verband met het daartoe gedane verzoek ter hoogte van € 467.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.000 aan schadevergoeding aan eiser;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

  1. Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant 2017, nr. 62751.
  2. Artikel 8:64, vijfde lid en artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maken dat mogelijk.
  3. Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
  4. ECLI:NL:CRVB:2024:726.
  5. Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1585.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.