Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Gelderland, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBGEL:2026:8068Zaaknummer ARN 26/2520

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/2520
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning appartementengebouw met 30 huurwoningen;beroep ongegrond; wabo; goede ruimtelijke ordening; omvang en volume, parkeren en verkeer, belangen (privacy) en alternatieven

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

griffierRechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/2520

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Lubben),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede

(gemachtigden: [persoon 1] en [persoon 2] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V. uit [plaats], vergunninghouder,

(gemachtigden mr. A.C. van Oijen en mr. S. van Wamel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het realiseren van een appartementengebouw met 30 sociale huurwoningen aan de [adres] in Ede. Eiseres woont naast de locatie en is het niet eens met de vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vergunning.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak, onder 3 waar de zaak over gaat, onder 4 het toepasselijk recht, onder 5 de planologische situatie en onder 6 het toetsingskader. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.

  • Voldoet het bouwplan aan een goede ruimtelijke ordening?
  • Zijn de belangen van eiseres voldoende meegewogen?
  • Zijn de alternatieven van eiseres voldoende meegewogen?

Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 26 april 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De ontwerp-omgevingsvergunning heeft van donderdag 27 juni 2024 tot en met woensdag 7 augustus 2024 ter inzage gelegen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend.

2.1.

Op 24 maart 2026 heeft het college met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure de omgevingsvergunning verleend.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de verleende vergunning.

2.3.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

2.4.

Eiseres heeft een stedenbouwkundig advies ingediend.

2.5.

Het college heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, en [persoon 3] en [persoon 4] namens de vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

3. Deze zaak gaat over het herontwikkelen van een perceel met een bedrijfsgebouw naar een woonlocatie. Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een appartementengebouw van 30 sociale huurwoningen in vier bouwlagen met een losstaand blok van 30 bergingen en 26 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het college heeft de vergunning verleend met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure[_6687a942-0893-4269-8290-6e09ad6b21c7] voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk[_559997a9-e37b-4347-9707-412b9567350f] en gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met de regels van ruimtelijke ordening.[_9431d5a8-d4b1-4f61-bcf5-6091dc9a398c] Voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo). De ruimtelijke afweging dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening is gebaseerd op de benodigde verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van 12 maart 2026. Het perceel ligt naast de woning van eiseres en zij vrees aantasting van haar woon- en leefklimaat.

Toepasselijk recht

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

4.1.

De aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 26 april 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

4.2.

Omdat het project ziet op het bouwen van meer dan 11 woningen en de vergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Planologische situatie

5. Volgens het bestemmingsplan ‘Arnhemseweg eo’ heeft het perceel de bestemmingen ‘Kantoor’ en ‘Bedrijf’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Het bouwplan wijkt af van het bestemmingsplan omdat er een appartementengebouw met een woonfunctie wordt gerealiseerd op een kantoor- en bedrijfsbestemming en omdat er wordt afgeweken van de regels van de dubbelbestemming. Ook in hoogte wijkt het bouwplan af van de planregels. Het bestemmingsplan staat een bouwhoogte van negen meter en een goothoogte van drie meter toe. Het bouwplan voorziet in een bouwhoogte van 14,6 meter en een goothoogte van negen meter.

Toetsingskader

6. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

6.1.

De rechtbank weegt het door eiseres overgelegde stedenbouwkundige advies dat na de beroepstermijn is ingediend mee, omdat het advies de beroepsgronden nader onderbouwt en geen nieuwe gronden bevat.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.[_9de93c5c-1e0f-4f04-b249-7a602f9eddcc]

Voldoet het bouwplan aan een goede ruimtelijke ordening?

Ruimtelijke inpassing, omvang en volume

7. Eiseres betoogt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een bouwplan van deze omvang op deze locatie geschikt is. Het bouwplan heeft een disproportionele schaal en massa. Het realiseren van 30 appartementen vormt een ingrijpende schaalvergroting. Eiseres voert aan dat dit niet past bij het bestaande straatbeeld. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan eerst uit 16 koopappartementen bestond terwijl het nu gaat over 30 sociale huurwoningen. Dat is een schending van de motiveringsplicht van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een onafhankelijk stedenbouwkundig advies ingediend. Aan de hand van dit advies betoogt eiseres dat de ruimtelijke onderbouwing geen goede stedenbouwkundige onderbouwing vanuit de analyse van de bestaande situatie bevat maar slechts een letterlijke weergave van de ‘stedenbouwkundige opzet’ van het bouwplan. Ook wordt volledig voorbij wordt gegaan aan de cultuurhistorische waarden van de aangrenzende elementen als de naastgelegen kerk uit de jaren ’50 en het Zwarte Laantje.

7.1.

Voor zover eiseres voorafgaand aan de vergunningsaanvraag door vergunninghouder in eerste instantie is geïnformeerd over een bouwplan van 16 koopappartementen, begrijpt de rechtbank dat dat vervelend is voor eiseres. Maar de rechtbank oordeelt over het bouwplan zoals dat bij het college is aangevraagd, namelijk een bouwplan voor 30 sociale huurappartementen. Tijdens de zitting heeft eiseres ook erkend dat het informeren voorafgaand aan de vergunningsaanvraag geen onderdeel uitmaakt van het juridische geschil.

7.2.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing en in de nota zienswijzen voldoende is gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hierna legt de rechtbank haar oordeel uit.

7.3.

Daarnaast heeft het college voldoende overwogen waarom het bouwplan stedenbouwkundig passend is in de omgeving. Het college stelt terecht dat de ruimtelijke onderbouwing een stedenbouwkundige toets bevat die nader is aangevuld in de nota van zienswijzen. Anders dan eiseres naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het college het bouwplan van een voldoende stedenbouwkundige onderbouwing heeft voorzien die meer is dan een weergave van de opzet van het bouwplan. Het college heeft terecht gekeken naar de inpassing in een bredere omgeving dan enkel de straat. De straat bestaat hoofdzakelijk uit woningen, maar de hieromheen omgeving bestaat verder uit een gemengd terrein met wonen, kerkgebouwen, kantoren en verderop diverse (appartementen)gebouwen in vier bouwlagen, zoals bijvoorbeeld aan de Stationsweg nabij de Acacialaan en de Ericalaan. Het appartementengebouw aan de Stationsweg 45 heeft zelfs vijf bouwlagen. Het perceel van het bouwplan is relatief groot waardoor er ook een omvangrijker bouwvolume mogelijk is. Qua bouwhoogte is het bouwplan een bouwlaag hoger dan wat kan binnen de huidige bestemming, maar passend bij de bebouwing in de omgeving. Om aan te sluiten bij de directe omgeving valt de bovenste bouwlaag in de kap. Het overgelegde stedenbouwkundig advies van eiseres doet niet af aan de beoordeling van het college, omdat dat advies zich ten onrechte enkel concentreert op het beeld in de straat en de omliggende straten buiten beschouwing laat.

7.4.

Ook heeft het college voldoende overwogen over de cultuurhistorische inpassing. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat de kerk uit de jaren ’50 (voorheen gymzaal) geen beschermde status als monument of beeldbepalend pand heeft en daarom gelijkwaardig is meegewogen aan andere bebouwing in de omgeving. Ook heeft het college in de ruimtelijke onderbouwing voldoende toegelicht dat het bouwplan de laanbeplanting van het Zwarte Laantje respecteert en dat de onderbegroeiing van het Zwarte Laantje wordt geoptimaliseerd.

7.5.

De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren en verkeer

8. Eiseres betoogt dat de parkeer- en verkeersproblematiek niet voldoende locatie-specifiek is beoordeeld. De feitelijke situatie ter plaatse is onvoldoende betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Het college baseert zich op een theoretische restcapaciteit, terwijl de bestaande parkeerdruk en verkeerssituatie door eiseres uitvoerig zijn toegelicht. Tijdens de zitting heeft eiseres toegelicht dat met name tijdens kerkdiensten de parkeerdruk hoog is en als er acht parkeerplaatsen in het openbaar gebied bijkomen levert dat nog meer parkeerdruk in de straat.

8.1.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelt dat de parkeer- en verkeerssituatie locatie-specifiek is beoordeeld. Vergunninghouder heeft in november 2025 een parkeer- en verkeersonderzoek laten verrichten juist vanwege het bouwplan voor 30 sociale huurwoningen. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van de verleende vergunning. Met dit onderzoek is de huidige parkeerdruk in de directe omgeving van het bouwplan feitelijk gemeten, en is het aantal verkeersbewegingen in de straat onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat er door het realiseren van het bouwplan een parkeerbehoefte ontstaat van 34 parkeerplaatsen, waarvan er 26 worden gerealiseerd op eigen terrein. Het college concludeert terecht dat de overige acht parkeerplaatsen in de openbare ruimte kunnen worden opgevangen, omdat binnen 100 dan wel 200 meter van de locatie voldoende capaciteit is om het parkeren op te vangen. Uit de metingen van de parkeerdruk blijkt namelijk dat op de piekmomenten van het parkeren - bijvoorbeeld op zondagochtend tijdens de kerkdienst – binnen 200 meter voldoende parkeergelegenheid is. Daarbij is er rekening mee gehouden dat er negen parkeerplaatsen op de locatie komen te vervallen. Verder heeft het college voldoende gemotiveerd dat het aantal verkeersbewegingen vermindert door het bouwplan. In het onderzoek zijn de verkeersbewegingen van de huidige kantoor- en bedrijfsbestemming (die planologisch is toegestaan, niet de huidige feitelijke situatie) en van de toekomstige woonbestemming berekend en vergeleken. Uit die berekening volgt dat er in de ochtendspits zes minder verkeersbewegingen zijn, en in de avondspits twee minder. Het college verwacht daarom terecht dat het appartementengebouw niet leidt tot verkeerskundige knelpunten in de straat en omgeving.

8.2.

De beroepsgrond slaagt niet.

Zijn de belangen van eiseres voldoende meegewogen?

9. Eiseres betoogt dat haar zienswijze onvoldoende is betrokken bij de besluitvorming. Het gaat om de directe aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres. De motivering van het college bestaat uit verwijzingen naar algemene beleidsdoelen, maar niet naar de specifieke situatie van eiseres. Er is niet inzichtelijk gemaakt waarom de belangen van eiseres in dit geval moeten wijken. Hiermee ontbreekt een draagkrachtige en kenbare motivering. Eiseres voert aan dat er geen evenwichtige afweging is gemaakt van privacy, uitzicht en bezonning. Het appartementengebouw leidt tot directe inkijk vanuit ramen en balkons, verlies van privacy in de woning en tuin en schaduwwerking en vermindering van zonlicht. Er wordt enkel gesteld dat in een stedelijke omgeving ‘enige aantasting’ gebruikelijk is. Dat is onvoldoende. Er had een beoordeling moeten plaatsvinden wat de aantasting is en of deze nog evenredig is.

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen besluiten dat het bouwplan geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiseres oplevert en dat haar belangen voldoende zijn meegewogen. De belangen van eiseres zijn meegenomen bij de afweging over de ruimtelijke inpassing van het bouwplan. Volgens het bestemmingsplan is er al een hoogte van negen meter toegestaan bij een kantoorfunctie en door het bouwplan wordt de hoogte 14,6 meter bij een woonfunctie. Op grond van het bestemmingsplan heeft eiseres daarom al rekening moeten houden met een behoorlijk bouwvolume. In de ruimtelijke onderbouwing en de nota van zienswijzen is nader toegelicht dat de extra bouwlaag zich bevindt zich in de kap en dat de kap geen dakkapellen bevat. Ook is toegelicht dat het gebouw zodanig is vormgegeven dat de balkons in de bebouwing aan de voor- en achterzijde zijn ingekapseld om de privacy van de naastgelegen percelen te waarborgen. De ramen in de kap zijn beperkt van omvang en vooral bedoeld voor toetreding van noodzakelijk daglicht. Door de diagonale positie in de kap geven zij geen direct zicht op de naastgelegen percelen. Het bouwplan heeft weliswaar enige gevolgen voor eiseres, maar de rechtbank moet beoordelen of het college heeft kunnen besluiten dat het bouwplan geen onevenredige aantasting van haar woonklimaat is. Dat de aantasting niet onevenredig is, heeft het college voldoende uitgelegd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiseres voor wat betreft de schaduwwerking van het bouwplan onvoldoende naar voren heeft gebracht dat zij wordt benadeeld door het bouwplan. De enkele stelling daartoe in beroep is onvoldoende.

9.2.

De beroepsgrond slaagt niet.

Zijn de alternatieven van eiseres voldoende meegewogen?

10. Eiseres betoogt dat zij op alternatieven heeft gewezen die minder ingrijpend zijn voor de woonomgeving. Het college heeft deze alternatieven ten onrechte afgewezen vanwege financiële onhaalbaarheid zonder onderbouwing en zonder afweging van de belangen van eiseres.

10.1.

Volgens vaste rechtspraak[_c3f95a30-5a31-430c-847d-776e150fd5ff] leidt een alternatief alleen tot weigering van de vergunning als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardige situatie kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

10.2.

Het college stelt zich terecht op het standpunt dat niet duidelijk is waarnaar eiseres verwijst omdat er geen alternatieven staan in haar zienswijze. Voor zover eiseres tijdens de zitting heeft gewezen op alternatieven in de zienswijze van de bewonersvereniging die zij ook heeft ondertekend, heeft zij erkend dat die alternatieven niet zijn genoemd in haar zienswijze. Daarnaast heeft zij erkend dat die alternatieven – een appartementengebouw van een bouwlaag minder en met minder appartementen – meer een wensenlijst vormen voor het bouwplan dan dat het een gelijkwaardig alternatief is.

10.3.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

griffierRechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  2. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
  3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
  4. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1136 onder 9.
  5. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559, ECLI:NL:RVS:2025:4559 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) onder 7.3.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.